27 januari 2024

Bekentenissen - Zo zal het zijn

Beschouwingen van een ik op de manier van Michel de Montaigne
[Op 7 april 2015 heb ik in mijn journaal gesteld dat dit geen goede titel is, want bekentenissen zijn altijd onwaar en ongeloofwaardig.]

Wat meteen begrepen kan worden, kan onmogelijk juist zijn. Begrijpen houdt in dat je diepe samenhangen ziet. Ik heb na mijn wetenschappelijke artikelen over een ontregelde wereld willen schrijven – over een wereld zonder regels, zeg maar: over de structuur van chaos. Zo heeft Henny van Gelder het tenminste op mijn Wikipedia–pagina gezet. (Of is daar bedoeld dat de regels ingewikkelder zijn dan ooit bedacht kan worden?) Ik ben lukraak gaan schrijven: Prometheus, Het Boudoir, Hemels Landschap, Titan, De Republiek der Kerngeleerden, De Opstand, Het Melancholieke Genie, Dutch Messengers, Urania, Heinsius en Het Verborgen Veld. De Opstand is, achteraf gezien, het kantelpunt. Daar heb ik mezelf in een verhaal neergezet dat ik pas aandurfde toen het pensioen me er de vrijheid voor gaf. Ik moet proberen het gemeenschappelijke van die elf boeken onder woorden te brengen, zoals Nietzsche in Ecce Homo deed toen hij zijn eerdere boeken samenvatte en met elkaar in verband bracht. Bij hem waren het: Geburt der Tragödie, Die Unzeitgemässen, Menschliches–Allzumenschliches, Morgenröthe, Fröhliche Wissenschaft, Zarathustra, Jenseits von Gut and Böse, Genealogie der Moral, Fall Wagner en Götzendämmerung. Zarathustra is het kantelpunt. Zie Ecce Homo blz 84–120. Lees ook blz 23–26 in zijn commentaar op Zarathustra, waarin uitgelegd wordt dat dit werk op aforismen berust uit een vroegere periode van de schrijver. Ook mijn laatste boek, dat ik eerst maar eens Bekentenissen noem, zou op die manier opgebouwd kunnen worden. Maar:

Tot hier was ik gekomen op 29 december 2014, om er op 18 augustus 2015 (een verjaardag van mijn vader) nog aan toe te voegen dat het boek over Laplace zou kunnen gaan, schrijver van Mécanique Céleste, met name over de verkruimeling van zijn deterministische wereldbeeld na 1815. In zijn leven zou ik op uitingen van zijn sexualiteit en agressie moeten letten (een psychoanalyticus zou daar in elk geval op letten). In het boek van Gillispie is al te lezen dat hij onsympathiek en arrogant overkwam en weinig vrienden had. Zijn wiskundige werk getuigt ook van een zekere dwang en is weinig elegant. In het boek van Hahn staat misschien de sleutel: Zijn dochter Sophie, geboren tijdens de Franse Revolutie, was duidelijk zijn lieveling. Ze schijnt de enige vrouw geweest te zijn aan wie hij openlijk zijn liefde durfde tonen. Haar tragische dood na de bevalling van haar eerstgeborene in 1813 greep hem zo aan dat hij ernstig ziek werd en kort daarop zijn testament maakte. Dit trauma op zijn 64ste herinnerde hem ongetwijfeld aan het verlies dat hij als kind geleden had toen zijn moeder Marie Anne op zijn 8ste van hem werd weggenomen. Als ik dit onderwerp voor mijn twaalfde boek kies, zal het niet Bekentenissen kunnen heten, maar bijvoorbeeld Zo zal het zijn.

[Ter inspiratie noem ik de titels die Nietsche aan de vier hoofdstukken van Ecce Homo gaf: Warum ich so klug bin, Warum ich so weise bin, Warum ich so gute Buchen schreiben kann, en Warum ich ein Schicksal bin. Ecce Homo heeft twee voorwoorden, een eerste dat de hoofdstukken samenvat en een tweede met het karakter van een preambule: So erzähle ich mir mein Leben. Zijn lot, dat aan het slot beschreven wordt, is dat hij tegen de morele leugens van zijn tijd – ja, die Verlogenheit von Jahrtausenden – moest ingaan en, overgevoelig als hij was, elk compromis uitsloot. Leugens zijn erger dan de onverschilligheid waar ik onder geleden heb en die me tot twee keer toe heeft weggejaagd. Is dat mijn thema, of de vraag wat het leven goed maakt? Zie Trudy van Asperen blz 196. Misschien ook de tegenstelling: Gezindheids-ethiek versus verantwoordelijkheids-ethiek? Zie Joachim Radkau blz 788. Van die twee heeft de eerste veel met mijn thema te maken, en de tweede ook wel iets: denk aan De Opstand (Gadso Coopmans), Het Melancholieke Genie (Benauwde Wereld), en Urania (Ernst van Straaten). Als ik jaren neem om een laatste boek te schrijven zullen ook belemmeringen kunnen wegvallen om grote liefde aan de orde te stellen. Laat ik naar een variant op zoek gaan van goed & waar leven; voor een wetenschapper telt waar meer dan goed. Bovendien geldt (Joachim Radkau blz 813): Die Wahrheit zu den man durch geistige Konzentration gelangt ist das Bindeglied zwischen Wissenschaft und Mystik. Wenn Weber Wissenschaft und Mystik scharf aus einander hielt, dann ist das um die Wissenschaft vor der Mystik zu retten, und die Mystik vor der Wissenschaft.]

[Verdere gedachten, nu naar aanleiding van Toulmins ‘Cosmopolis’: helaas is het skepticisme verloren gegaan, het niet-destructief bedoelde nee zeggen tegen empiristen, mensen die beweren dat ze iets weten omdat ze het ervaren hebben; lees Montaignes Apologie van Raymond Sebond met gedachten over de natuur, ook diens essay (in Vol. 3) over verzen van Virgilius waarin hij op zijn erecties (’lang’ + ’dik’) en geneuk ingaat; lees verder in Pyrrho die wijst op de beperking van ervaringen (wat aansluit bij ‘De Wetten’, en Wittgenstein) zodat we niets zeker zouden kunnen weten.] [Humanisme = gedetailleerde beschrijving van praktische ervaringen, die skepsis toelaten, Rationalisme = wiskundige analyse met theoretische concepten, die waar en zeker zouden zijn, quest for certainty.]

Stephen Toulmin (Cosmopolis 105): In facing problems about the use of new knowledge for human good, we may ignore the ideal of intellectual exactitude, with its idolization of geometrical proof and certainty. Instead, we must try to recapture the practical modesty of the humanists, which let them live free of anxiety, despite uncertainty, ambiguity, and pluralism.

Hier zullen (voorlopig ongeordende) stukjes tekst staan die me zomaar invallen. Ze gaan waarschijnlijk allemaal over onderzoeksprogramma’s à la Lakatos. Het zouden er uiteindelijk honderd kunnen worden, elk van een pagina of twee, of vijftig van vijf bladzijden. Ik ben er op 25 februari 2014 mee begonnen, toen ik teksten over de geschiedenis van de natuurkunde nog eens had doorgelezen en ze zo particulier vond dat Atlas-Contact of Meulenhoff er niet aan zou beginnen ze uit te geven. Tijd om een punt te zetten achter teksten over de natuurkunde. *)

Malus (1775–1812), aan wie ik gedacht heb, zou een roman van twintig stukken van twee of drie bladzijden kunnen opleveren, met zijn verdachte achtergrond, zijn nederige dienstplicht, de expeditie naar Egypte waar hij de pest kreeg, het herstel van vestingen in Lille en Straatsburg, het patronaat van Laplace, het onderzoek van de breking van het licht en de tering waardoor hij tenslotte stikte.

[Toen hij begin 1799 in Jaffa de pest kreeg en niet bij het leger kon zijn dat naar Acri (bij Haifa) optrok, schreef hij een traktaat over het licht. En toen hij in 1808 in de Rue d’Enfer woonde en door een dubbelbrekend prisma naar de ramen van het Palais de Luxembourg keek waar de ondergaande zon ín weerspiegeld werd, zag hij dat één van de beelden verdween als hij het prisma draaide. Dit wees op een polarisatie van het licht, dat in de ene breking loodrecht op de andere trilt.] Op 30 juli 2015 heb ik het idee gekregen een psychoanalytische biografie van Pierre Simon Laplace (1749–1827) te schrijven, de man die Malus geprotegeerd heeft – en om te zien of het leven van die man me boeien kan zal ik het boek van Roger Hahn moeten lezen dat in de UB van de Uithof staat! Leen het op 31 juli. Vandaag heb ik al het stuk van Robert Fox over de natuurkunde volgens Laplace doorgenomen dat op blz 278-294 in Olby’s Companion staat. Op 6 augustus heb ik Jelle dat boek van Hahn antiquarisch voor $150 bij Amazon.com laten kopen.

Ook heb ik even aan Anderson (1905–1991) en Meitner (1878–1968) gedacht die in de jaren 1920 van mening verschilden over het continue energiespectrum van elektronen uit de atoomkern [zie Lakatos p. 81– 86], met de tegenstelling jong & man (Carl) en oud & vrouw (Lise), en de opheldering die Pauli later gaf toen hij nog onbekende deeltjes (neutrino’s) veronderstelde om behoudswetten te redden. [Ook hier zijn gemakkelijk twintig van die stukken over te schrijven, maar is het mogelijk om het luchthartig, met anekdotes en met humor te doen?]

Hoe prozaïsch ik het allemaal zeg, toch ligt juist in deze nuchtere weergave van de natuur een stukje poëzie. Ik doe een beroep op de mensen die gezond zijn: lees niet alleen maar gezonde boeken, maar verdiep je in de zogenaamd zieke literatuur. Die kan je verkwikken en opbeuren. Gezonde mensen zouden steeds wat risico moeten nemen. Waarom is men sodeju dan zo gezond? [’Walser’ 83.]

’Verder zou ik er nog dit van kunnen zeggen.’ Zo’n soort stijl. Spits en puntig. Anekdotes die vragen oproepen over het weten [de kern van het weten]. Ik zou een Schopenhauer kunnen worden, de leesbare, die van de kleine geschriften, of een Voltaire, die van het filosofisch woordenboek met de sprekende verhaaltjes. Het plan om Heine’s Geständnisse na te doen is onuitvoerbaar, want wat heb ik eigenlijk te bekennen en hoe geestig ben ik nou helemaal?

*) In april 2014, toen ik Goed Verborgen naar Bertram Mourits had gestuurd en gehoord had dat hij het wilde uitgeven, heb ik mijn ideeën over Bekentenissen aan de kant gezet. Het contract voor de uitgave van dit boek, dat Het Verborgen Veld zou moeten heten, is in november getekend en zal maart 2015 verschijnen. Als het verschijnt ben ik 75 en zal ik nog wel 7 tot 10 jaar kunnen werken – lang genoeg voor iets dat werkelijk substantieel is, een boek van 400–500 bladzijden. Aan de andere kant: de vijfsterren-recensie door Martijn van Calmthout die april 2015 verschenen is suggereert dat ik onmogelijk nog iets beters schrijven kan.


Dennis Dieks

Toespraak tot Dennis Dieks op 25 november 2014 (in het Restaurant ‘Selamat Makan’ aan de Voorstraat op nummer 100, te Utrecht)

Beste Dennis,

Het doet me deugd je bij dit afscheidsetentje te mogen toespreken. Er is namelijk iets ongewoons dat ons bindt. Die binding is drieëntwintig jaar geleden tot stand gekomen, toen we elkaar voor het eerst zagen. Weet je nog dat het in de kantine op de eerste verdieping van het Buys Ballot was? Je had toen reeds bewezen dat de kwantummechanica de werkelijke wereld op een objectieve manier beschrijft, en dat terwijl je tien jaar jonger was dan ik. Je artikel stond in de Annalen der Physik, in band 7. Het had grote indruk op mij gemaakt.

Om er iets tegenover te stellen heb ik je toen verteld Plato te lezen, al was het in de archaïsche vertaling van De Win. Die vertaling gebruik ik ook, zei je meteen. Zelfs voor een theoreticus van jouw klasse moet het originele Grieks aan de lastige kant geweest zijn. Maar laat ik je zeggen dat het voor een eenvoudige experimentator al helemaal een klus geweest is om zich in de grondslagen der kennis in te lezen. Het ligt een beetje voor de hand dat we over Thaetetus gepraat hebben, want ik had juist het commentaar van Bostock op die dialoog gekocht.

Je weet dat Socrates tot de conclusie kwam dat de man die hij had ondervraagd, Theaetetus, niet kon zeggen wat kennis is. Ook als kennis een juiste opvatting zou zijn die met een redelijke verklaring werd aangevuld, bleek die definitie ανεμιαια te zijn. Wind. Sta me toe hier even Grieks te praten:

        ‘η μαιευτικη τεχνη         ‘ημιν φησι          ανεμιαια          γεγενησθαι

        de verloskunde          zegt ons [dat er]       wind          [uit] voortkomt

Ik hoef je natuurlijk niet te zeggen dat Socrates zich een vroedvrouw noemde, een verloskundige die met τεχνη uit studenten tevoorschijn wist te halen wat er al in zat.

Moet ik wél zeggen waarom die definitie van kennis wind losmaakt: ανεμιαια? Dat is zo omdat de redelijke verklaring geen eigen inhoud heeft. In het redelijk zijn van de verklaring keert het juist zijn van de opvatting terug. Het is een cirkel. Om iets zinnigs te beweren moet je aan een object een predikaat toevoegen, iets van een andere categorie. Dat leert iemand die het commentaar van Bostock op Theaetetus leest. Citaat: ’A statement is made by putting together two expressions of different categories.’

Voorbeeld: Als we hier Dendeng blado bestellen, dan is Dendeng het object, rundvlees, en blado het predikaat, sambalsaus. Sambalsaus is van een andere categorie en voegt iets pittigs toe, zodat we er zeker van kunnen zijn dat Dendeng blado geen ανεμιαια maar integendeel een pittig gemaakt stukje rundvlees is.

Dit brengt me op iets anders dat ook pittig is, of pittig genoemd kan worden: ‘η μαιευτικη τεχνη ‘ημιν φησι – de verloskunde zegt ons dat de kwantummechanica de werkelijke wereld mogelijkerwijs niet op een objectieve manier beschrijft. Niet een logisch argument, maar een experiment beslist immers wat werkelijk is. Hier bedoel ik niet een nieuw experiment mee dat verborgen variabelen aan zou tonen. Nee, ik houd het graag gezellig en overzichtelijk. Ik bedoel mijn eigen experiment door na de geschiedenis van een geldkloppende uitgeverij De werkelijke wereld te beschrijven.

Ook hier een citaat: ‘Ze lag zwijgend op de divan en wist niet welk tafereel of welke geschiedenis ze zich voor moest stellen. Had ze meer dan twee liefhebbers gehad? Wat zou ze trouwens kunnen weten van oorzaken en gevolgen?’

Zo is het maar net: wat kunnen we weten? Beste Dennis, omdat ik met jou de belangstelling voor oorzaken en gevolgen deel, is het passend en symbolisch je bij dit etentje zowel het Theaetetus–commentaar als De werkelijke wereld cadeau te doen.

Kees Weda

Toespraak op 1 oktober 2010 bij het afscheid van Kees Weda

Henny, Niels, Stefan, Wendy!

Ook een vriend door dik en dun neemt met ontroering afscheid van Kees Weda, jullie Kees – ontroerd omdat het leven van deze man zo tragisch is verlopen, in een vergeefse strijd met de krachten die het van binnenuit ondermijnden, terwijl het zo vol was van belofte, begaafdheid en gevoeligheid.

We leerden elkaar kennen toe we allebei 19 waren en aan een tweede studiejaar begonnen aan de TH in Delft. En we hadden er allebei de grootste moeite mee, want de wiskunde en elektronica waren niets in vergelijking met de vragen naar de betekenis van ons leven. Hij had altijd muziek, toen al. Samen hebben we elektronische muziek verzonnen bij Genesis 2: En duisternis lag op de vloed.

Natuurlijk, er was ook licht, we vreeën meisjes uit Den Haag, waren op elkaars bruiloft – in de jaren zestig trouwde men nog – en omdat we van voor de oorlog waren bleven die huwelijken for better and for worse in stand. Kees en Henny waren er altijd als Elly en ik weer eens verhuisden en er bij muziek getimmerd en geschilderd werd. Maar mij was het gegeven de studie af te maken, hem niet. Het heeft me pijn gedaan dat ik hem er niet doorheen kon helpen. Hij vond werk onder zijn niveau bij een bedrijf en een gemeente.

Ik ga zijn leven niet vertellen, maar wel wil ik een tweede herinnering ophalen. Toen we 47 waren gingen we met onze vrouwen op vakantie in de Elzas. Jaren hebben we het nog over de goddelijke Gewürztraminer van Fernand Sipp uit Ostheim gehad. Kees was toen na een lange procedure afgekeurd voor verder werk in dienst van de gemeente: Hij zag het daar niet meer zitten. Uiteindelijk, zeg ik, kon hij ook daar niet meer doorheen komen. Ik vroeg hem of hij blij was eindelijk vrij man te zijn. Zoiets kan alleen een domkop vragen die wel eens zucht onder zijn werkbelasting. ‘Blij?,’ zei hij, ‘als niemand je meer wat vraagt?’

Als ik me niet vergis is toen die onpeilbare melancholie gekomen. Hoe vaak heb ik Strawinsky’s Chanson Russe gehoord als we hem en Henny opzochten? Hij keerde zich naar binnen, vluchtte in ontkenningen en tegenspraak. Het gesprek, althans mijn gesprek met hem, werd moeilijk. Toen ik het hobbyblad Elektuur zag liggen zei hij alleen maar: Dat is mijn vak. Niels heeft me de ateliers laten zien die hij op zolder inrichtte om zijn dingen te maken, kunstvoorwerpen, volmaakte kastjes, versterkers, radio’s, in eenzaamheid, met de gordijnen dicht.

Drie weken geleden heeft hij met mij over het onherroepelijke einde van zijn ziekte willen praten. Hij had op dat moment geen pijn, zat in de avondzon en rookte zijn sigaartje. Ik ben dankbaar voor dit laatste beeld. Hij was iemand die je niet kon loslaten.

23 januari 2024

Nico van Kampen

Toespraak op 10 oktober 2013 bij het afscheid van Nico van Kampen (1921–2013)

Familie, collega’s, en u overige aanwezigen!

Ieder van u zal zo zijn of haar eigen herinneringen aan de grote Van Kampen hebben, en toch verbeeld ik me dat iedereen hier aan de tekst terug moet denken die hij had meegegeven aan zijn meesterwerk over de stochastische processen. Mij schoot die tekst, die sterke tekst, meteen te binnen toen ik naar woorden voor dit afscheid zocht:
        Que nous sert-il d’avoir la panse plein
        de viande, si elle ne se digère…?
Dat is: Wat hebben we aan een pens vol vlees als het niet verteert …?, als het (zo gaat die tekst verder) … als het zich niet in ons omzet, als het ons niet laat groeien en sterker maakt? Die vraag was bestemd voor de studenten die het boek tot zich wilden nemen en een macht aan oefeningen te verteren kregen. Er zijn er bij die zwaar op de maag liggen.

Het Frans van de geciteerde woorden was van Montaigne, maar ook Van Kampen zou het geweest kunnen zijn: een erudiete man met sterke opinies, die niet zonder eigendunk steeds op zoek was naar de kern der dingen. En als hij een kern gevonden had, of gevonden dacht te hebben, dan stelde hij haar in het kille licht der logica tentoon.

Voor hem was natuurkunde iets hoogs, een verkenning van de objectieve mathematische structuur der wereld – wat volgens Poincaré de enige manier is waarop we hem kunnen kennen – en daarmee wetenschap tout court. Deze man, geboren in 1921, was nog helemaal een zoon van de Verlichting. Ontzet kon hij reageren op mensen die objectieve kennis onzin vonden. Ook het paradigma van Kuhn vond hij maar niks.

Het past niet om hier lang stil te staan bij de wereld die Van Kampen zélf verkend heeft. Die gaat over fluctuaties in niet-lineaire systemen, uitgerekend de verschijnselen die ik dacht nodig te hebben om het materieverlies van sterren te kunnen begrijpen. Al ben ik geen student geweest van Nico, zijn boek over de stochastische processen en zijn markante persoon heb ik in de jaren ’70 en ’80 leren kennen, vooral dankzij At Compagner, onze gemeenschappelijke vriend. Ik wil daar iets meer over zeggen.

Ook naar mij toe kon hij hard overkomen – en dan denk ik dat het vooral een sociale onhandigheid was – maar met vriendelijke collegialiteit heeft hij me de weg gewezen in de kwestie van omkeerbaarheid dan wel onomkeerbaarheid in moleculaire processen van de fotosynthese. (Grotendeels omkeerbaar, denk ik.) Uiterst behulpzaam was hij ook in het uitzoeken van de geschiedenis van de wetenschappelijke uitgeverij die ik 10 jaar geleden beschreven heb. Hij beleefde de geboorte van zijn boek als het ware nog een keer, en toen ik hem daarover interviewde had hij een net pak aan. Ik heb toen gemerkt dat hij graag over zijn verleden sprak.

Op dat verleden kom ik nog terug, maar in dit verband wil ik eerst zeggen dat zijn enige opmerking over mijn biografie van Huygens-de-natuurkundige een logische fout in een zin betrof en dat dit pijnlijk was. Wie 414 bladzijden bij elkaar weet te schrijven kan zoiets echter wel eens over het hoofd zien. Toen ik later zijn recensie van de Kramersbiografie door Max Dresden onder ogen kreeg begreep ik dat hij ánders uit kon pakken. Hij schreef trouwens levendig, soepel, onberispelijk.

Dames en heren, u heeft hier geen muziek gehoord. Nico was een man van woorden en werd knorrig als hij muziek hoorde. Ik heb eens een keer naast hem gezeten bij het beluisteren van een inaugurele rede. Die was lang en werd om die reden onderbroken door een frivool walsje dat de academie–organist ten gehore bracht. ‘Moet dat nou?’ fluisterde hij. ‘Is het dan niet leuk?’ vroeg ik. ‘Nee’, zei hij, ‘het stoort het denken.’ Voor frivoliteiten leek hij niet in de wieg gelegd. Dit begreep ik opnieuw toen hij een paar weken geleden mijn Boudoir op Terschelling gelezen had en me vroeg me te verantwoorden voor de dingen die hij niet weten wilde.

We hebben het laatste jaar veel over zijn oom Frits Zernike gepraat, de grote broer ‘Up’ van zijn moeder Lies die ‘Sloek’ genoemd werd en die hij – vergeef me het woord – adoreerde. Toen Frits de Nobelprijs kreeg was hij, Nico, 32 en nog in afwachting van een plaats op het Instituut voor Theoretische Fysica in Utrecht, waar Sybren de Groot dat jaar vertrokken was. Ik wilde weten onder welke omstandigheden oom Frits daar in Groningen aan de Munnekeholm en de Verlengde Visserstraat tot zijn fasecontrast-microscoop gekomen was. Zonder dat ik het vroeg kwam hij met foto’s en verhalen aan, steeds meer, en hij keek er gelukkig bij.

Ik neem de vrijheid u iets voor te lezen uit een boek-in-wording: Aan mijn rechterhand (zo lees ik) heeft ooit het lage fietsenhok gestaan waar Frits, volgens zijn oomzegger Nico van Kampen aan wie het voor waar verteld is, buiten werktijd boven op kom om bij het raam van zijn kamer te kunnen komen (dat door een collaborerende amanuensis op een kier gezet was) en van daar af zijn bureau in te klimmen, waarmee hij het probleem oploste dat Coster, de hoogleraar-directeur van het laboratorium, niet wilde dat hij een sleutel had. Een hoogleraar in de theoretische natuurkunde had namelijk geen experimenten te doen, maar zich te beperken tot college geven.

In Friesland, waar ik vandaan kom, zeggen ze De wierheit hat in skel lûd. Ook het geluid van Nico kon schril zijn. Zal ik zijn stempel kunnen uitwissen? Het verdriet me dat hij er niet meer is om zijn stem te verheffen en ons slordige denkers en domkoppen voor te gaan bij het ordenen van onze waarnemingen en er logische samenhang in aan te brengen.


03 januari 2024

Alsnog een portret voor Heinsius

[Feestrede van Wijnand Mijnhardt, gehouden op 21 september 2011, in het stadhuis van Utrecht]

Dames en Heren,

Wanneer de organisatoren van die opmerkelijke en altijd weer verrassende organisatie genaamd de Vrede van Utrecht de moeite hadden genomen me te vragen naar de titel van mijn feestrede voor Cees Andriesse vandaag, dan was het antwoord geweest: Who the Hell is Heinsius, of in rond Nederlands, maar met geleende woorden, waarom Alsnog een portret voor Heinsius? Dat maar weinigen van Antonie Heinsius hebben gehoord is onloochenbaar. Johan de Witt en misschien zelfs Johan van Oldenbarneveldt kennen we doorgaans wel, al was het maar omdat ze zo aantrekkelijk gruwelijk aan hun eind zijn gekomen en dat spectaculaire beeld is bij de meesten van ons wel blijven hangen. Van Heinsius kunnen we in dit opzicht alleen maar zeggen dat hij de respectabele leeftijd van bijna 80 jaar bereikte. Toch is de periode van Heinsius - de periode 1670-1715 - het meest cruciale tijdvak uit de Nederlandse geschiedenis na de Opstand tegen Spanje. En wanneer we een Europees perspectief hanteren, is de periode van Heinsius zelfs de belangrijkste. Het is de enige periode waarin de Nederlandse Republiek twee markante bijdragen leverde aan de voortgang van Europa.

Van 1672-1715 was de Republiek de ziel van het verzet tegen de aspiraties van Lodewijk XIV die naar een “monarchie universelle” streefde, een heerschappij over een wereld waarin de zon nooit meer onder zou gaan, een predicaat waarmee voordien alleen de Habsburgse keizer Karel V zich had weten te tooien. Met een wisselend stel bondgenoten wist de Republiek Europa te behoeden voor een politiek systeem waarin absolutisme, godsdienstdwang en bigotterie het leven van alledag zouden hebben bepaald. Het aantal en de kwaliteit van de bondgenoten mocht dan fluctueren maar in die halve eeuw was er maar één stabiele kern in dat bolwerk tegen Frankrijk en de ziel van dat bolwerk was de raadpensionaris van Holland, Antonie Heinsius, op zijn beurt weer de steunpilaar van de militaire en politieke architect van die alliantie Willem III, de stadhouder-koning van Engeland.

Die decennia aanhoudende zware strijd tegen de dreiging van een Franse wereldheerschappij en de aanwezigheid van een uiterst actieve internationale vooral Franstalige pers op Nederlandse bodem eiste echter een buitengewoon zware tol. Ze forceerde de Nederlandse intellectuele elite in een spagaat: aan de ene kant participeerde die met graagte in de kosmopolitische debatten die in de Franstalige wereld van geleerdheid en letterkunde van toen werden gevoerd, aan de andere zag een groeiende groep de Franse pers als een Trojaans paard dat slechts de culturele voorpost kon betekenen van een uiteindelijk politieke onderwerping. Het resultaat van hun bezorgdheid was een verdediging van Nederlandse taal en cultuur en een eerste systematische verwoording van haar eigenheid. Verfransing en daarmee een sluipende aristocratisering zagen ze als een ernstige bedreiging van de Hollandse republikeinse moraal en als een aantasting van de zo broodnodige gevechtskracht.

Sluitstuk van de ontwikkeling was het ontstaan vanaf de jaren ’30 van de achttiende eeuw van een Nederlandstalige culturele communicatiegemeenschap die als levensvatbaar alternatief voor de kosmopolitische, in casu Franse, République des Lettres moest gaan fungeren. Die nieuwe communicatiegemeenschap in de landstaal was een geweldige stap voorwaarts in het proces van culturele natievorming dat zich overal in Europa in deze periode voltrok. Voor Nederland betekende dit proces echter een dubbele handicap. Ze bleek verantwoordelijk voor een dramatische “closing of the Dutch mind” en een linguïstisch isolement kwam hier nog bovenop. Om hun thuismarkt te plezieren moesten Nederlandse geleerden en intellectuelen immers hun waren op de Europese markt voortaan aanprijzen in een taal die niemand verstond.

Die functie van redder van de Europese vrijheid was niet de enige bijdrage van de Republiek. Ze sloot perfect aan bij een andere, meer intellectuele rol. In de zeventiende eeuw was de Republiek al een centrale speler op de Europese intellectuele markt. Ze vormde het centrum van een wereldomspannend handelsnetwerk dat informatie over de meest uiteenlopende onderwerpen en artefacten overal vandaan wist te leveren. In Amsterdam, Rotterdam of Middelburg konden moeiteloos bestellingen voor exotische naturalia, oude handschriften of botanische specimina worden geplaatst. Expedities en handels- en diplomatieke missies naar verafgelegen nieuwe werelden werden hier uitgerust en de verslagen ervan werden hier gedrukt en besproken. De Nederlandse universiteiten waren de onbetwiste centra van de klassieke en oosterse talen en de vaak strijdige gegevens van Bijbel, klassieke teksten en gegevens uit de reisverslagen waren hier thema van geleerde debatten. Ook waren de universiteiten, in tegenstelling tot elders, brandpunt van de controverses over de nieuwe Cartesiaanse filosofie en natuurkennis.

In de periode 1670-1730 werd de Republiek op al deze gebieden onbetwist wereldleider. Dit tijdvak is de ware Gouden Eeuw van de Hollandse intellectuele geschiedenis. De vrijwel permanente staat van oorlog, de centrale rol van de Republiek in de coalitievorming tegen de Franse Zonnekoning en het Hollandse gedoogbeleid brachten een voortdurende stroom van diplomaten, spionnen en intellectuele ballingen uit heel Europa naar de Randstad. De vervolging van de Hugenoten in Frankrijk stuwde niet alleen zo’n vijftig duizend protestantse vluchtelingen naar de Republiek maar was er ook voor verantwoordelijk dat de creatieve kern van het Franse intellectuele leven zich naar de Hollandse steden verplaatste. De Randstad werd daarmee het onbetwiste centrum van de kosmopolitische Republiek der Letteren en het brandpunt van de Europese kennissamenleving. Intellectuelen uit geheel Europa kwamen hier voor kortere of langere tijd bijeen in informele gezelschappen en onderwierpen alle mogelijke contemporaine kernproblemen op het gebied van politiek, religie en geleerdheid aan een kritisch onderzoek. Het nieuwe verbindende medium tussen deze intellectuelen, hun uitgevers en het publiek was het tijdschrift dat literair nieuws, boekbesprekingen en, niet te vergeten, geleerde achterklap in circulatie bracht. Zo overheersend was de rol van de Republiek dat Georgio Leti in 1700 in een analyse van het Europese kennissysteem moest vaststellen dat: “Holland alleen bestraalt en verrijkt gansch Europa, met het werk der drukkerijen en boekhandel”. Hier, in deze moderne informatie-maatschappij, gevoed door spionnen, diplomaten, en intellectuele ballingen….. hier en niet in het Frankrijk van de Zonnekoning, kwam de Europese Verlichting tot stand.

Waarom kennen wij deze Heinsius en zijn tijdperk dan zo slecht. Waarom ontbreekt er van deze imposante schrijver van meer dan 24 duizend brieven, van deze gigant in het diplomatieke verkeer zonder wie we geen Europese vrijheid en geen Europese Verlichting zouden hebben gekend, waarom ontbreekt er van deze intellectuele reus een biografie en moeten we het doen met een onbeduidend opstelletje in een bundel getiteld “Onbekende raadpensionarissen”. Het antwoord ligt in de dynamiek van de naar binnen gekeerde vaderlandse geschiedschrijving van de voorbije eeuwen. De oorlogen tegen Frankrijk brachten de Republiek aan de rand van de financiële afgrond. De zware rentelasten zouden de manoeuvreerruimte voor de toekomst op het internationale toneel ernstig beperken. Ze bracht, zoals we zojuist schetsten, eveneens een periode van het sluiten van de luiken naar de buitenwereld op gang en toen een halve eeuw later ook nog eens economische problemen de Republiek begonnen te teisteren, nam de obsessieve verheerlijking van het glorieuze vaderlandse verleden een aanvang. De periode van Heinsius werd vervolgens verantwoordelijk gemaakt voor het einde van die Gouden Eeuw. Dat die bloei, ook in de ogen van de tijdgenoot ten enenmale artificieel was geweest, bleek van geen belang. De Gouden Eeuw is de Nederlandse natie tot de dag van vandaag blijven beheksen als een onwrikbare norm.

En hier ligt de grote betekenis van het nieuwe boek van Cees Andriesse. Het is het eerste boeklange portret van deze vaderlandse held in een cruciale fase van de Nederlandse en Europese geschiedenis. Maar dat is lang niet de enige verdienste. Het is ook een fascinerend en meeslepend boek. In “Alsnog een portret voor Heinsius. Geschiedenis van de Vrede van Utrecht” maakt Cees Andriesse ons deelgenoot van zijn drievoudige worsteling met de onbekende Heinsius. Allereerst is daar de worsteling met de stof. Heinsius heeft een gigantisch aantal brieven nagelaten. De bezorger Guus Veenendaal heeft er lange jaren aan moeten werken om die in 19 delen gepubliceerd te krijgen. Hoe geef je zo’n leven vorm als je je niet zoals de biografen van Oldenbarneveldt of Johan de Witt wilt verliezen in duizenden bladzijdes. De vorm die Andriesse kiest is origineel. Het verhaal wordt verteld door de overspannen leraar Ernst van Straaten, die zich zijn leven lang al verraden voelt en gefascineerd raakt door de persoon van Heinsius. Alsnog een portret voor Heinsius is ook geen afgerond verhaal. Het zijn schetsen voor de biografie afgewisseld met episodes uit het deprimerende leven van Van Straaten zelf, een intrigerende mix die de lezer voortjaagt van de eerste tot de laatste bladzijde.

Alsnog een portret voor Heinsius kan ook gelezen worden als een worsteling met het vak van de historicus. Cees Andriesse is geen historicus en wil dit ook niet zijn. Hij is literator maar ook kerngeleerde en brengt al die vaardigheden en kundigheden mee in zijn werkwijze. Ook al is Andriesse zich zeer wel bewust van de veel grotere ruimte die de literator zich bij het beschrijven van het verleden kan veroorloven, hij wil toch ook waarachtig geschiedschrijver zijn en bereidt zich grondig voor. Fysiek contact met de wereld van zijn held Heinsius is voor hem absolute noodzaak. Hij dwaalt door de Haagse kamers en tuinen van Heinsius en bezoekt de kaden van het Hollands Diep waar zijn hoofdpersonen scheep gingen, dat alles om zijn historische verbeelding van voedsel te voorzien. Omdat Andriesse ook nog fysicus is, levert zijn worsteling met het verleden een schitterend inzicht in de spanningen tussen alfa en bèta, tussen wetenschap en mythe en tussen feit en fictie. De vakhistoricus kan nog veel van hem leren.

Alsnog een portret voor Heinsius is tenslotte ook een getuigenis van de worsteling van de auteur met zichzelf en met zijn eigen angsten en onzekerheden. Het is niet bon ton om auteurs te vereenzelvigen met hun werk en al helemaal niet om daar conclusies aan te verbinden maar Andriesse maakt het er zelf naar. Zijn kort verhaal over de tragi-komische voorvallen tussen Van Straaten en zijn uitgever en zijn editors klinkt haast autobiografisch en wanneer uw spreker van dit moment zichzelf even meent te kunnen ontwaren in Alsnog een portret voor Heinsius wanneer hij tekeer gaat tegen Habermas’ Strukturwandel der Öffentlichkeit, wordt de scheidswand tussen feit en fictie, tussen biografie en autobiografie wel heel erg dun.

Als ik het goed zie is die drievoudige worsteling niet beperkt tot het portret van Heinsius maar moeten we die thema’s als de rode draad zien in heel het biografisch oeuvre van Andriesse. Ook Titan kan niet slapen, zijn leven van Christiaan Huygens en De Opstand, zijn beschrijving van de ondergang van de Franeker hoogleraar Gadso Koopmans in de patriotten- en Franse tijd, vertonen deze kenmerken: steeds weer de originele ordening van de stof, het geraffineerd spelen met geschiedenis en literatuur en de doorkijkjes naar de ziel van Andriesse zelf.

Alsnog een portret voor Heinsius, is naar mijn smaak niet geheel toevallig de voorlopige apotheose van Cees Andriesse’s werk. Cees is een volwaardig fysicus met een grote reputatie, hij balanceert onvermoeibaar op het slappe koord tussen literatuur en geschiedenis, maar is met titels als Urania ook meeslepend novellist en tenslotte met Dutch Messengers (over de Nederlandse wetenschappelijke uitgeverij in de 20e eeuw) en met De Republiek der Kerngeleerden (over kernenergie in Nederland) net zozeer volwaardig vakhistoricus. Is Andriesse niet een van de laatste representanten van de Republiek der Letteren die in de tijd van Heinsius op Nederlands grondgebied zijn absolute hoogtepunt beleefde? Is die wereld waarin de moderne disciplines waaraan wij nu zoveel betekenis hechten nog niet bestonden en waarin men nog onbekommerd de rollen van natuurfilosoof, van historicus en van literator in één persoon kon verenigen niet Andriesse’s natuurlijke biotoop? Met Alsnog een portret voor Heinsius is Cees Andriesse eindelijk thuisgekomen.

01 december 2023

Zeventig

(tafelrede voor de lunch op 20 december 2009 in Villa Sonsbeek, Arnhem)

Familie en vrienden! Nog eens: geweldig dat jullie allemaal gekomen zijn, want een verjaardag moet je niet in je eentje vieren, zeker niet als er weer eens een decennium voorbij is: Het zevende decennium. Wie zeventig jaar wordt heeft meer jaren achter zich dan vóór zich. Het kunnen er nog een paar zijn, maar ook wel tien of meer. De oudste hier is vierentachtig, zo zie je maar, en bijna de helft van degenen die hier zitten is ouder dan ik. Wat een wijsheid en ervaring! Ik leg er zo de nadruk op, omdat ik liever stilsta bij wat komen zal dan wat voorbij is.

Hebben jullie dat ook? Bij het wakker worden aan de dingen denken die je nog zou willen doen, en aan de nieuwe dag die je er de kans voor geeft. Mijn vader, de wilskracht zelve die eenenzeventig geworden is, zei dat de wil beperkt wordt door de mogelijkheid. Kan het niet zoals het moet, dan moet het zoals het kan.

Maar de toekomst is ondenkbaar zonder het verleden. Ze zal gekleurd zijn door de dingen die je ondernomen hebt. Talent, niet direct ijver, heeft me in staat gesteld een bonte boel te maken van het leven. Ik was een geluksvogel die de wetenschap in vloog, maar te hoog opsteeg, zodat de fluctuatietheorie, mijn beste werk, ontsnapte aan de aandacht van collega’s. Toen ik dat begrepen had en overging op boeken schrijven, bleek ook dat te hoog gegrepen. In een cultuur van onbenulligheid zal Urania, mijn beste boek, geen aandacht kunnen krijgen.  

Ik heb er vrede mee dat mijn werk niet noemenswaardig vrucht gedragen heeft. Dit is gezegd in de voltooide tijd, want het is een illusie te denken dat alsnog tot stand kan komen waartoe men in de kracht des levens niet in staat was. Maar mijn interesse in wetenschap en kunst is onverflauwd. Natuurlijk zal ik blijven volgen wat de collega’s nog ontdekken en zal ik het werk van de grote schrijvers en van componisten blijven bewonderen. Als ik voor de piano kruip, komt er misschien ook nog een derde strijkkwartet, niet voor anderen, maar voor mezelf.

Misschien, zei ik. Maar het is wel bijna zeker dat dit jaren worden voor essays, voor een persoonlijke zoektocht naar waarheid. Schoonheid in kennis en kunst kan ons hart immers alleen maar raken omdat ze waar is. Na het avondrood van de apollinische kunst komt het morgenrood van de filosofie, dat wist Nietzsche al. En filosofie gaat over wijsheid, de σοφια der ouderdom. Dit zijn jaren voor vrede met jezelf en met de omgeving die je heeft gesteund, je heeft opgevangen als je viel en je weer heeft laten fladderen: je vrouw, je familie en je vrienden.

Op dit bijzondere moment moet ik zeggen dat ik jullie grote dank verschuldigd ben. Op jou, Elly, lieve levensgezellin, breng ik een dronk uit. Blijf alsjeblieft nog lang bij me! Ook drink ik op Lourens, Jelle, Manuela, Noortje, Lotta, Jonas, Siebranda, Tjitske, Harm, Henny, Kees, Onno, Hank, Jan, Sible, Kees en Tine.

03 november 2023

Descartes over emoties

De volgende tekst is mijn boekbespreking die op 4 december 2008 gepubliceerd is in Nieuw Archief voor Wiskunde

Boekbespreking Descartes: De passies van de ziel

Descartes over emoties

Niet alleen Spinoza schreef in logische termen over onderwerpen die het innerlijke leven betreffen. Ook Descartes deed dit in 1647, in zijn boek ‘Les passions de l’âme’. Theo Verbeek heeft het vertaald. Cees Andriesse, emeritus hoogleraar natuurkunde, historicus, en auteur van onder andere de biografie ‘Titan kan niet slapen’ van Christiaan Huygens geeft zijn commentaar. Dit laatste boek van René Descartes verscheen in 1649 zowel in Amsterdam als Parijs en in 1650 nog eens in Amsterdam met de titel ‘Passiones animae’.

Velen zullen weten dat René Descartes (1596–1650) de analytische meetkunde ontdekt heeft — los van Pierre de Fermat, die deze coördinatenmeetkunde met haar symbolische algebra bijna op hetzelfde ogenblik ontdekte — en dat hij, in directe samenhang met deze wiskunde, een methode gepropageerd heeft waarmee de wereld onderzocht zou moeten worden — een ‘logische’ methode die door haar eis van duidelijkheid en distinctie van de begrippen veel heeft bijgedragen aan de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw. Maar het zullen er vast niet veel zijn die weten dat hij op die manier niet alleen de wereld onderzocht heeft, maar ook geesten die er niet in thuis leken te horen, namelijk de emoties. Toch geldt zijn Passions de l’âme, een boek uit 1649, dat tot diep in de achttiende eeuw bestudeerd werd, nog steeds als het begin van de wetenschappelijke emotiepsychologie [1]. Descartes als psycholoog ... Voor een beter inzicht in de soms ook duistere ‘logica’ van deze man met het veelzeggende motto bene vixit, bene qui latuit (goed leeft hij die goed verborgen heeft), is het toe te juichen dat Theo Verbeek dit werk over de emoties met een vertaling en uitgebreid commentaar opnieuw onder onze aandacht heeft gebracht.

Het nieuwe woord emotie
Waarom heb ik het over emoties, en niet over passies, zoals Verbeek passions vertaalt? Ik doe dat omdat de Van Dale aan ‘passie’ vijf betekenissen toekent en aan ‘emotie’ in wezen maar één: (plotselinge) ontroering of gemoedsbeweging. En ik doe het omdat Descartes zelf met dit woord voor de dag gekomen is. Nico Frijda zegt in een recent interview [2]: ‘In 1632 is het woord ‘emotie’ bedacht, als een alternatief voor ‘passie’, als de onderstreping van het feit dat passies zoveel wanorde bij mensen teweegbrengen. Want het woord emotie komt van het oude Franse woord voor oproer, émeute. Het was Descartes die het prachtig vond om dat als beeld te gebruiken voor al die beroering die in het lichaam werd aangericht door de passies.’ Hij was de eerste die geprobeerd heeft de manier waarop zo’n beroering zich uitte — de ene beroering was de andere niet! — in verband te brengen met een specifiek mechanisme ergens binnen in het lichaam.
     Welnu, werd het hart niet van oudsher gezien als de zetel der gevoelens, en wordt een sterke emotie zoals de begeerte niet nog steeds een ‘hartstocht’ genoemd? Dat Descartes in eerste instantie aan mechanismes in het hart dacht hoeft ons dus niet te verbazen. In 1632 had hij De motu cordis gelezen, het boek van William Harvey over de ontdekking van de hartslag en de bloedsomloop, en had hij, zeker mede onder invloed van Isaac Beeckman — de Dordtse rector die ook tot de conclusie was gekomen dat het hart door drukopbouw en voortstuwing (dus mechanisch) op het bloed inwerkte [3] — een mechanistisch wereldbeeld ontwikkeld waar hij vijf jaar later over publiceren zou in zijn bekende Discours de la méthode. In het overigens vrij uitgebreide en erudiete commentaar van Verbeek heb ik een verwijzing naar de rol van Beeckman gemist, terwijl een volgeling, de Utrechtse medicus Henricus Regius, wél genoemd wordt (p 70). Laat ik, voor de goede orde, de inhoud van het boek van Verbeek nu eerst even beschrijven.

Korte beschrijving van het boek
Descartes’ De passies van de ziel telt 232 pagina’s, waarvan 71% (van p 63 t/m p 228) bestemd is voor Verbeeks vertaling van de 212 paragrafen van Passions de l’âme (PA), die op haar beurt echter weer voor circa 30% bestaat uit 111 noten met kruisverwijzingen en historische uitleg die Verbeek heeft toegevoegd, zodat de helft van het boek uit toelichtingen bestaat. Verbeek kennende, durf ik zeggen dat de vertaling voortreffelijk is — ik heb geen behoefte gevoeld haar met het origineel te vergelijken, en iedereen die de vloeiende zinnen leest, ziet het statige zeventiende eeuwse Frans als het ware voor zich. Ook de toelichting is, op nog een paar puntjes van kritiek na (waar ik op terugkom), voortreffelijk. Ze bestaat uit een inleidend stuk over de ontstaansgeschiedenis van het boek (pp 9– 14) en een analyse van de inhoud (pp 15–29), die duidelijk maakt waarom het hier echt om nieuwe inzichten gaat: ‘Passies — zo concludeert Descartes in paragraaf 26 — zijn de gewaarwording van een uitzonderlijke toestand van het lichaam, en hebben als object iets dat door ons gekend of waargenomen wordt’ (p. 18), wat naadloos aansluit bij de moderne visie dat ze ‘cognities tot emotionele (boosmakende, vreeswekkende enz.) cognities maken’. [4] Voordien zag men ze vooral als ziekmakende of zelfs dodelijke animale geesten, die alleen bestreden konden worden als men het hoofd koel hield. Aan het eigenlijke boek gaan nog brieven vooraf (pp 31–62), van en aan een Parijse vriend die gevraagd was de uitgave van het boek te verzorgen en er een voorwoord bij te schrijven over het verband met zijn eerdere boeken.

Het hart onder invloed van emoties
Aan welke mechanismes in het hart dacht Descartes? Niet aan variaties in de druk op het bloed als gevolg van samentrekkingen van het hart — wat Harvey en Beeckman in feite al bewezen hadden — nee, hij dacht aan variaties in een ‘vuur zonder licht’ dat in het hart brandt en ‘het beginsel van alle bewegingen in en van het lichaam is’ (paragraaf 8). Voor hem moesten variaties in druk en in warmte hetzelfde effect hebben, want als het bloed in de hartholten verwarmd wordt ‘zet het zich uit, zodat het niet genoeg ruimte meer heeft en zich met grote kracht [uit de holten vandaan] een weg baant naar [de aders]’ (paragraaf 9). Hij zag het hart dus als een warmtemachientje zoals in het begin van de zeventiende eeuw links en rechts gedemonstreerd werd [5]. Maar los van de vraag wat die warmte veroorzaakte — Descartes zou aan fermentatie van het bloed gedacht hebben (noot 13, p. 73) en een student merkt dan op dat zo’n chemische reactie dus in stootjes van hooguit een seconde aan en uit zou moeten gaan — lag er de vraag hoe ze specifiek kon zijn voor een emotie.
     Wat was eigenlijk anders in de hartbeweging bij zo tegengestelde emoties als vreugde (joie) en droefheid (tristesse)? Een essentiële vraag voor een filosoof die duidelijke en goed onderscheiden (distinct) begrippen wenste te gebruiken. Welnu, bij vreugde zou die beweging gelijkmatig en snel zijn, met daarbij een aangename warmte (paragraaf 99), en bij droefheid zwak en traag, zonder veel warmte — het hart zou dan als ijs aanvoelen (paragraaf 100). Dacht hij niet alleen aan verschillen in frequentie (snel ↔ traag) maar ook aan die in intensiteit (sterk ↔ zwak)? Even lijkt het erop, want bij liefde (amour), een hevige vorm van vreugde, noemt hij de beweging weer snel en tegelijk ook ‘krachtiger’ (paragraaf 97) dan bij vreugde, maar bij haat (haine), die als een hevige vorm van droefenis gezien zou kunnen worden, blijkt de intensiteit toch niet groter te zijn. Hij noemt deze beweging tenminste nog steeds zwak en ‘vaak ook sneller’ (paragraaf 98), waarmee ze nauwelijks te onderscheiden is van die bij vreugde. En nog zoiets: Bij een vijfde primaire emotie, de begeerte (désir), zou de beweging bijzonder heftig zijn, ‘meer dan bij enige andere passie’ (paragraaf 101), maar de combinatie (snel en erg sterk) maakt dat ze nauwelijks te onderscheiden is van de combinatie (snel en sterk) van de liefde. Descartes maakte het zich moeilijk door nog een zesde primaire emotie in te voeren, de verwondering (admiration), die iets intellectueels is en, zoals hijzelf inzag, niets aan de beweging van het hart verandert (paragraaf 71). Overigens noemde hij ook bijna vijftig secundaire (samengestelde) emoties.

Spinoza
Nu weet ik wel dat het niet aangaat de ideeënwereld uit de zeventiende eeuw met die van nu te confronteren, maar hoe is een mechanistische theorie serieus te nemen, die, zoals deze, door geen enkele meting ondersteund wordt? Als we lezen over de frequentie en de intensiteit van de hartslag, dan worden we geacht te vergeten dat de hartslag alleen maar sneller wordt als we ons inspannen, en dat elke slag ongeveer evenveel bloed wegpompt. Verbeek heeft er echter op gewezen dat ook de Cartesiaanse medici in de zeventiende eeuw al inzagen dat metingen nodig waren om de intuïties van Descartes te bewijzen — wat tot debatten tussen iatrochemici en iatrofysici geleid heeft [6]. Verder worden we geacht niet te weten dat van Descartes’ primaire emoties alleen maar de vreugde, droefheid en begeerte op de lijst staan van prototypische (aan actietendenzen gelieerde) emoties die nu onderscheiden worden (waaronder de angst, vrees, schrik, walging, woede) [7]. Maar Verbeek had er ons toch wel op kunnen wijzen dat het drietal vreugde-droefheid-begeerte het enige is dat Baruch de Spinoza in zijn bekende Ethica als primair erkent [8]. Spinoza, deze jongere tijdgenoot die dit in 1665 (?) schreef maar pas in 1677, na zijn dood, liet publiceren, vond dat liefde en haat de vormen zijn die vreugde en droefheid aannemen als ze, zoals hij zegt, vergezeld gaan van het idee van een externe oorzaak. Voor hem was de verwondering ook geen emotie.
     De naam van Spinoza mis ik met name als het paradoxale in Passions de l’âme aan de orde komt. Voor Descartes, die dacht dat mensen dankzij hun geest in vrijheid over hun bewegingen (dus hun gedrag) beslissen, moeten onvrijwillige animale bewegingen die door emoties worden ingegeven een probleem geweest zijn. Het pijn-haat-model dat Verbeek ons voorlegt (pp 20–25) om duidelijk te maken hoe hij denkt dat onvrije bewegingen met vrije kunnen samengaan, maakt echter helemaal niets duidelijk, of het moest zijn ’s mans ‘logica’: Omdat de mens ook een ziel heeft zou hij alleen maar tot op zekere hoogte vrij zijn om te denken (paragraaf 50). Voor Spinoza is dit voldoende om het hele argument af te wijzen: [9] ‘Voorzover ik weet heeft nog niemand vastgesteld wat de aard en de macht van de emoties is, en ook niet wat de geest kan doen om ze in toom te houden. Natuurlijk weet ik dat de beroemde Descartes [net zoals ik] geloofde dat de geest absolute macht over zijn bewegingen heeft, maar ook hij heeft weer geprobeerd de emoties uit hun oorzaken af te leiden, zodat hij er meteen bij moest bewijzen dat de geest ze [toch] in zijn macht heeft. Volgens mij heeft hij er alleen maar zijn slimheid mee bewezen.’

De mechanistische visie op het lichaam
Wat zegt Descartes over de oorzaken van de (deels emotionele) hartbeweging? In zijn mechanistische denkwereld kunnen het natuurlijk geen enzymreacties zijn, maar zijn het stootjes van fijne deeltjes die door de bloedvaten en de zenuwdraden stromen, en tegelijk ook de lever, de maag, de milt, de nieren etc. in werking zetten. De impuls van deze deeltjes dacht hij zich afkomstig uit de ziel (l’âme, anima), die midden in hersenen zou moeten zitten omdat ze alleen daar ‘aandeel heeft aan alle indrukken’ (paragraaf 34). Dus lokaliseerde hij haar in de epifyse, een klier die er precies midden in zit, zodat de ‘gewaarwordingen van dingen buiten onszelf’ (paragraaf 23) precies kon samenvallen met de bron van de stootjes. Descartes’ ontdekking van het visuele systeem van de hersenen en, daarop gebaseerd, zijn notie van een sensus communis (de gemeenschappelijke waarneming, of geïntegreerde gewaarwording), worden tegenwoordig hoger aangeslagen dan zijn ideeën over de motorische reacties [10]. Omdat visuele indrukken voor emoties zo belangrijk zijn, had Verbeek Descartes’ boek over die ontdekking en de menselijke fysiologie in algemene zin (L’homme, geschreven in 1632) eigenlijk even moeten noemen, al is het pas na zijn dood, in 1662, gepubliceerd. Nu is het wat ongelukkig, ofschoon niet onjuist, dat hij alleen maar zegt dat De passies van de ziel voor veel mensen de eerste gelegenheid waren om kennis te maken met een mechanistische theorie van het lichaam (p 17).
     De onmiskenbare historische betekenis van dit laatste boek van Descartes zal daarom gezocht moeten worden in de plastisch beschreven en als ‘logisch’ voorgestelde menselijke fysiologie, waarin de mens geboren wordt als een machine. De ‘logica’ heeft echter haar beperkingen en is ook niet op wiskundige wijze (more geometrico) aangetoond, zoals Spinoza gedaan heeft met de definities, stellingen en bewijzen in zijn Ethica. Dit zal de lezers van dit blad teleurstellen. Ik geef een typisch voorbeeld (uit paragraaf 42):
     “Als de ziel de wil heeft zich iets te herinneren, dan zorgt die wil ervoor dat de klier zich in allerlei verschillende richtingen buigt, waardoor ook de geesten zich naar allerlei plaatsen in de hersenen bewegen, totdat ze op de plek komen waar zich de sporen bevinden die zijn achtergelaten door datgene wat men [zij?] zich wilde herinneren.”

Subtiele schoonheid
Aan duidelijkheid en distinctie van de begrippen laat dit veel te wensen over, maar kennelijk hebben vele generaties er nog hun voordeel mee gedaan — in tegenstelling tot de duidelijkheid en distinctie in Descartes’ Principia philosophiae uit 1644, waarvan al binnen een generatie, ja eigenlijk al meteen, werd vastgesteld dat zijn botsingsregels praktisch allemaal fout waren en dat zijn regel van het impulsbehoud niet eenduidig was [11]. In deze twee laatste werken zien we Descartes’ hopeloze ambitie om ook de meest complexe natuurverschijnselen met een enkel slecht begrepen mechanisme te verklaren. Voor liefhebbers der exactheid valt er in de Passions de l’âme echter nog veel te genieten, want de redeneertrant van de filosoof Descartes is subtiel. Laat ik ook daar een voorbeeld van geven (paragraaf 209), opnieuw in de vertaling van de filosoof Verbeek:
     “Spijt is [eveneens] een soort droefheid en wel één van een bijzondere bitterheid, aangezien ze [namelijk?] altijd verbonden is met wanhoop en met de herinnering aan het genoegen dat ons het genot van iets gegeven heeft. Spijt richt zich immers altijd op een goed dat we ooit genoten, maar dat nu zo definitief voorbij is dat we geen enkele hoop meer kunnen hebben om het te hervinden op het tijdstip en op de manier die we ons in spijt herinneren.”

Theo Verbeek (vertaler en commentator), Descartes: De passies van de ziel (Groningen, Historische Uitgeverij, 2008).

Referenties

  1. Nico Frijda, De Emoties, Amsterdam, Bert Bakker, 1988, p 193.
  2. NRC Handelsblad, katern Wetenschap & Onderwijs 14/15 juli 2007.
  3. Frank Huisman, in: Klaas van Berkel & al., History of Science in the Netherlands, Leiden, Brill, 1999, p 253.
  4. Frijda (zie referentie 1) p 193.
  5. Jacques Payen, in: René Taton & al., Huygens et la France, Vrin, Paris, 1982, pp. 198–199.
  6. Theo Verbeek, in: Allan Charles Kors & al., Encyclopedia of the Enlightenment, Oxford, 2003, p. 203.
  7. Frijda (zie referentie 1) p 101.
  8. Edwin Curley, Collected Works of Spinoza, Princeton, 1985, p 532.
  9. Curley (zie referentie 8), 1 pp 491–492.
  10. Erhard Oeser, Geschichte der Hirnforschung, Wissenschaftliche Buchgesellschaft, Darmstadt, 2002, p 52.
  11. Julian B. Barbour, Absolute or Relative Motion?, Cambridge, 1989, pp. 457–461.


Giftige straling

‘Zou iemand op het idee gekomen zijn de natuur te bestuderen als het niet bekend zou zijn dat sommige mensen zich daar mee bezig houden? Na...