28 januari 2024

Giftige straling

‘Zou iemand op het idee gekomen zijn de natuur te bestuderen als het niet bekend zou zijn dat sommige mensen zich daar mee bezig houden? Natuuronderzoek is een willekeurige traditie, zoals het afscheren van de baard, en in een maatschappij waar het zich tot in de banaalste gebruiksvoorwerpen manifesteert, is het aantal natuurkundigen gering. (In onze landen op zijn hoogst één op de duizend inwoners.) De andere particulieren weten nauwelijks meer van de natuur dan de primitieven. Uit onderzoek blijkt dat drieëntachtig procent van de West-Europeanen niet in staat is uit te leggen waardoor de schijngestalten van de maan veroorzaakt worden – na zoveel generaties onderwijs.’

Aldus Willem Frederik Hermans in zo’n grimmig esseej waarmee hij ons in “Het sadistisch universum” de spiegel voorhoudt (blz 63). Ik heb die tekst wat ingekort, want het ging me om de inhoud, niet om de vorm. En hoe waar is die! Moeten er nog voorbeelden van de gebrekkige natuurkennis van die ‘andere particulieren’ gegeven worden?

In boeken van Harry Mulisch zijn ze zo te vinden. In “De versierde mens” is een vijftig meter diepe zee zo blauw zijn ‘als een dovende vlam’ (blz 182), terwijl een dovende vlam rood is – donkerrood. En in “De elementen” wordt een langwerpige steen onder water ter sprake gebracht die een meter lang lijkt te zijn (blz 121): ‘Dat zal dus,’ aldus de schrijver, ‘ruim een halve meter zijn.’ Maar ook boven water is hij een meter lang. Het effect dat een zwembad van boven af bekeken minder diep lijkt dan het is, wordt hier verward met de vergroting die de breking van het licht teweeg kan brengen. Maar daar heb voor je bolle oppervlakken voor nodig. Met een vlak wateroppervlak gaat het niet. Denk aan de muntjes die in een fontein gegooid zijn en die je op de bodem van het bassin ziet liggen.

In boeken van Hugo Claus moet even gezocht worden voordat je iets geks tegenkomt. Op blz 183 van “Het verdriet van België” ziet de hoofdpersoon de Grote Beer en het Zevendruppeltje (waarmee ongetwijfeld het Zevengesternte bedoeld zal zijn): ‘Hij bleef kijken naar de sterren tot zijn ogen dicht vielen en zijn hoofd tegen de vensterpost bonkte.’ Wie die sterrenbeelden gezien heeft weet dat ze behoorlijk ver van elkaar af staan (zo’n vijftig graden, meer dan de halve afstand van zenit tot horizon) en dat je ze niet door één venster tegelijk kunt zien.

En wat vind je bij Connie Palmen? Een natuurkundige die in “De wetten” uitlegt ‘dat het in de fysica niet meer ging om de materie, maar om neigingen, gebeurtenissen, waarschijnlijkheid’ (blz 133). Dit personage had er dus niets van begrepen. Als zijn wetenschap niet meer over de materie ging, waarop moesten die neigingen, gebeurtenissen en waarschijnlijkheid dan betrekking hebben? Een kosmos zonder materie bestaat niet. Hij wordt er zelfs volledig door bepaald. Geen wonder dat de ik-figuur in de war is geraakt.

Als ook grote schrijvers laten blijken weinig van de natuur af te weten, wat is dan de oorzaak van die onkunde? Ik vermoed dat het paradoxalerwijze de eenvoud van de natuurverschijnselen is, en de eenvoud van de begrippen waarmee ze op een logische manier met elkaar in verband worden gebracht. Want wie zich eenmaal in personages heeft ingeleefd, en er van uitgaat dat hun ingewikkelde gedrag ook aan verborgen drijfveren moet worden toegeschreven, kan zich nauwelijks voorstellen dat er een natuur bestaat die niet ingewikkeld en niet verborgen is.

Haar eenvoud – waar bestaat die uit? Om dat duidelijk te maken heb ik woorden of begrippen nodig die (1) een natuurkundige betekenis hebben zonder andere betekenissen uit te sluiten, (2) deze betekenis ook hebben en tevens omgangstaal zijn, en (3) alleen maar iets natuurkundigs betekenen en niet in de door de Van Dale gecanoniseerde omgangstaal voorkomen. Die volgorde heeft historische betekenis. Bij (1) is beweging aan de orde, het oudste verschijnsel dat begrepen is, bij (2) zijn dat elektriciteit en magnetisme, en bij (3) is het die vermaledijde straling. En om eerlijk te zijn: ècht eenvoudig zijn ze niet, die begrippen. Er is veel onderzoek voor nodig geweest voordat ze uitgekristalliseerd waren. In het geval van (1) zijn ze nog maar vier eeuwen oud, in het geval van (2) twee eeuwen en van (3) nog niet eens één eeuw.

Wat (1) betreft, vind je in de Van Dale één woord (impuls) met 5 betekenissen, ook één woord (zwaarte) met 6 betekenissen, dan twee woorden (arbeid en sterkte) met 7, één woord (massa) met 8, één woord (kracht) met 13, en nog één (spanning) met 16 betekenissen. De gebruiker weet dat de betekenis van de context afhangt, wat voor een exact vak niet bepaald een voordeel is. Maar meerduidigheid heeft zijn nut gehad om tot een juist begrip van de bewegingen te kunnen komen.

Van deze woorden is ‘impuls’, om redenen die dadelijk genoemd zullen worden, de belangrijkste. Volgens de Van Dale is het (a) de eerste stoot die een beweging overdraagt, (b) het product van massa en snelheid van een lichaam, (c) een door radio of radar uitgezonden signaal, (d) iets dat door een zenuw als gevolg van een prikkel overgebracht wordt, en (e) aandrift of drang of prikkel of aansporing of beweeggrond.

Bij betekenis (a) denk je meteen aan het wegwerpen van een bal of een steen, en bij (b) aan een formule: p = mv. Hier zijn we dan bij een fantastische eenvoud der natuur gearriveerd: de impuls p van een voorwerp met massa m, dat met een snelheid v langs een rechte lijn (dus in een vaste richting) voortbeweegt, die impuls verandert niet … tenzij er een kracht op inwerkt. Hoe of dat heet? Impulsbehoud! Het is zó elementair dat het bij de natuurkunde-les op school niet eens meer aan de orde komt, naar ik me door mijn kleinzoon heb laten vertellen. En verder wil ik nog even kwijt dat Amerikanen het over ‘momentum’ hebben als wij ‘impuls’ zeggen, terwijl onze journalisten ‘momentum’ voor iets heel speciaals gebruiken: de meeslepende werking van een politieke campagne die goed op gang is – wat bij betekenis (e) aansluit.

Maar wat bijzonder: beweging die gewoon maar doorgaat! Het is helemaal in strijd met onze ervaring. Laat ik mijn leermeester Jan Prins citeren: ‘Ogenschijnlijk komt in de meeste gevallen een constante snelheid tot stand door een constante kracht uit te oefenen. Denk maar aan fietsen. Het verschijnsel is zo algemeen, dat iedereen verleid wordt er een fundamentele natuurwet in te zien. Het lukt echter niet er een deugdelijke bewegingsleer op te baseren, wat bijvoorbeeld Aristoteles nog geprobeerd heeft. Een groot bezwaar is, dat tussen de grootte van de kracht en van de daardoor bereikte snelheid geen eenvoudig verband blijkt te bestaan, en nog minder een universeel verband. We hebben hier niet met een fundamentele natuurwet te maken, maar met een samengesteld geval. Naast de bewust uitgeoefende kracht treedt een wrijvingskracht op ten gevolge van de weerstand van het medium, waarin of waarlangs het voorwerp zich beweegt. In het algemeen neemt de grootte van de wrijving met de snelheid toe tot ze de aangelegde kracht evenaart en dus compenseert.’ Aldus Prins’ “Grondbeginselen” (blz 11/12).

Kortheidshalve ga ik niet meer in op de krachten die de grootte en de richting van een impuls kunnen veranderen, krachten dus die voldoen aan F = ~p (waar het ~teken een verandering in de tijd aangeeft). Wel zeg ik nog dat de tijd t waarin een kracht werkt, indien vermenigvuldigd met die kracht F, een arbeid W oplevert: W = Ft. Hij kan ook energie genoemd worden, want het Griekse ‘en ergon’ betekent ‘er zit arbeid in’. In de natuurkunde is er gewoon geen verschil tussen die twee. In de taal wèl. Van de betekenissen die de Van Dale aan ‘arbeid’ geeft, komt alleen de eerste er bij in de buurt: ‘inspanning van lichamelijke en/of geestelijke krachten om iets tot stand te brengen.’

Nu enkele opmerkingen bij (2), waar elektriciteit en magnetisme aan de orde zijn. Welke woorden zijn in de omgangstaal terecht gekomen? Wel, we laden onze accu op als we nieuwe motivatie zoeken, geven nergens een bliksem om, gaan er als de gesmeerde bliksem van door, elektriseren het publiek als we een prikkelende toespraak houden, veroorzaken kortsluiting als door wederzijds onbegrip een conflict losbreekt, hebben iemand op onze radar, en denken met ons magnetisme andere mensen gerust te kunnen stellen.

Net zoals bij (1) zijn hier zeven relevante begrippen te noemen: accu, dynamo, kompas, magneet, spanning, stroom en vermogen, die volgens de Van Dale resp. 2, 1, 3, 4, 16, 7 en 5 betekenissen hebben. Het tweede, ‘dynamo’, is het belangrijkst. Michael Faraday had in 1831 gezien en begrepen hoe eenvoudig de manier is waarop magnetisme en elektriciteit op elkaar inwerken. Vóór die tijd is dat een raadsel geweest. En ook nu nog: wie is niet verbaasd als hij ontdekt dat dat kleine ding, dat met een veer tegen de fietsband wordt aangedrukt, alleen maar een magneetje bevat dat in een elektrisch geleidend spoeltje rond kan draaien? Maar de Van Dale zegt het: ’t is een ‘toestel waarin elektrische energie wordt opgewekt door een magnetisch veld te doen draaien in een geleider.’ Daarbij geldt een wet van ‘groei & draai’ die pas in de jaren 1860 precies geformuleerd is; zie mijn boek “Het verborgen veld”, blz 107/108.

Tenslotte over (3): die vermaledijde straling. Er is verschrikkelijk veel over te zeggen, maar laat ik me beperken tot de onuitroeibare uitdrukking ‘radioactieve straling’, wat letterlijk ‘stralings-actieve straling’ betekent. Je komt die onzinnige naam nog steeds tegen. Ook weer op 16 november 2016, en uitgerekend in de NRC, onze kwaliteitskrant (blz 15): ‘De nieuwe overkapping (van de in 1986 ontplofte kernreactor bij Tsjernobyl) zal pas over honderd jaar kunnen worden verwijderd, wanneer de radioactieve straling voldoende is afgenomen.’ De benaming is oud – staat ook al op blz 447 van het in 1958 verschenen “Leerboek der natuurkunde” van mijn leermeester Ralph Kronig. De radioaktieve Strahlung van diens jeugd in Dresden klinkt er in door, terwijl de naam ook toen al als umgangssprächlich gold.

De wetenschappelijke naam is ioniserende straling. Die straling bestaat namelijk uit lichtpakketjes en elektrisch geladen deeltjes die met grote energie uit instabiele atoomkernen weggeschoten worden. Met ‘ioniserend’ wordt aangegeven dat deze straling bij absorptie in gecondenseerde materie ionen vormt, door het wegrukken van elektronen uit de moleculaire verbindingen. Als het om levende wezens gaat kan ernstige biologische schade het gevolg zijn. Maar ‘ioniserend’ is een vreemd woord, en misschien wordt het daarom weinig gebruikt. Kunnen we deze straling dan maar niet beter naar haar gevolg (de biologische schade) noemen dan naar haar oorzaak (de radioactiviteit)?

Ik stel voor om te spreken over giftige straling. Het woord ‘giftig’ ligt voor de hand, omdat de aanduiding ‘radiotoxiciteit’ (‘stralings-giftigheid’) internationaal geclassificeerd blijkt te zijn – zie het “Handboek radionucliden” van Albert Keverling Buisman (blz 12). Hoge of zeer hoge radiotoxiciteit hebben radium-226, thorium-228, en plutonium-239. Deze giftigheid is het gevolg van de vrij gemakkelijke opname van hun chemische verbindingen (oxiden) in het lichaam, nadat ze ingeademd zijn of zijn ingeslikt, en van de verwoestende werking van de alfadeeltjes die ze uitzenden. Maar van alle (?) stralende kernen is de giftigheid bekend.

Dit artikel is geschreven op verzoek van de hoogleraar lexicologie Willy Martin, en met nog 30 andere artikelen opgenomen in de door hem en Marcel Thelen geredigeerde bundel ‘Vak-Taal’ die op 10 november 2017 is verschenen bij de Amsterdam University Press. [pp 40-46, ISBN 978 946298547 6]

 

27 januari 2024

Verjaardagen

Toespraak op 17 december 2017

Lieve familie, dit is een bijzonder ogenblik. Vier van de tien gasten aan deze tafel vieren hun verjaardag, verjaardagen die op 10, 15, 21 en 25 december vielen en zullen vallen. Zes van de tien zijn originele Andriesses en vier zijn er met liefde aan toegevoegd: Elly, Manuela, Edwin en Robin.

Daar zit dus meteen een jarige bij: Manuela – de levendige schoondochter die zo van reizen houdt en meeleeft met alles wat in de familie voorvalt, voortdurend raad verschaft en tegelijk een zware baan heeft bij het sociaal pedagogische werk in de Achterhoek. Ze is naar de Emmanuel van Jesaja 7:14 en Mattheüs 1:23 genoemd – en we horen de alt in Händels ‘Messiah’ die zingt ‘… and shall call her name Emmanuel: God with us.’ Een treffende naam. Zij is bij ons, altijd bij ons. En dat ze nog lang bij ons kan zijn!

En dan – dames gaan voor – Lotta Andriesse, de jongste van de vier, zojuist ontsnapt aan de bosbranden van Californië, waar ze geleerd heeft hoe je in twee dimensies spelletjes van drie dimensies ontwerpen moet. Elke dag heb ik een pastel van jou voor ogen, een sublieme weergave van een beekje met viervoudige waterval in een groen landschap. Die heb je gemaakt toen je met je ouders in Ierland was, en hij ligt onder mijn doorzichtige bureaublad. Zo ben je altijd bij me. Ga niet te ver weg.

Vervolgens is daar Jelle, de originele ingenieur, de ruimtelijke vormgever, bouwer van vliegtuigjes, vogels, vissen en al dan niet wankele boten, zelfs een Vikingschip voor op het Wad, en natuurlijk van kunstwerken. Je bent dichtbij gebleven, en toen je ouders tijdelijk in het Utrechtse waren wisten ze niet hoe gauw ze daarna weer terug moesten zijn. Misschien was jij het daarom die voorkomt in een boek van mij. Lees maar op bladzij 29 van het ‘Boudoir’: Met mijn zoontje Jelle ben ik naar de stad gereden.

Tenslotte kom ik bij mezelf. Acht jaar geleden heb ik de familie ook al eens toegesproken. Dat was in de Witte Villa. Talent, zei ik toen, niet ijver, heeft me in staat gesteld van mijn leven een bonte boel te maken. Als ik voor de piano kruip, zei ik ook, dan componeer ik zo weer een strijkkwartet, het derde. Het is er niet van gekomen. Die muziek is voorbij. Misschien, zeg ik nu, misschien heb ik nog wél tijd voor een laatste boek, het twaalfde. Twee jaar zou genoeg moeten zijn … Op dit bijzondere ogenblik herhaal ik mijn familie veel verschuldigd te zijn. Op jou Elly, lieve levensgezellin, breng ik een dronk uit. Blijf nog een hele tijd bij me. Ook drink ik op de gezondheid van Tjitske, mijn zus, en op die van Noortje, Edwin, Robin en, hoe zou ik de stamhouder kunnen vergeten?, Jonas Andriesse.

Bekentenissen - Zo zal het zijn

Beschouwingen van een ik op de manier van Michel de Montaigne
[Op 7 april 2015 heb ik in mijn journaal gesteld dat dit geen goede titel is, want bekentenissen zijn altijd onwaar en ongeloofwaardig.]

Wat meteen begrepen kan worden, kan onmogelijk juist zijn. Begrijpen houdt in dat je diepe samenhangen ziet. Ik heb na mijn wetenschappelijke artikelen over een ontregelde wereld willen schrijven – over een wereld zonder regels, zeg maar: over de structuur van chaos. Zo heeft Henny van Gelder het tenminste op mijn Wikipedia–pagina gezet. (Of is daar bedoeld dat de regels ingewikkelder zijn dan ooit bedacht kan worden?) Ik ben lukraak gaan schrijven: Prometheus, Het Boudoir, Hemels Landschap, Titan, De Republiek der Kerngeleerden, De Opstand, Het Melancholieke Genie, Dutch Messengers, Urania, Heinsius en Het Verborgen Veld. De Opstand is, achteraf gezien, het kantelpunt. Daar heb ik mezelf in een verhaal neergezet dat ik pas aandurfde toen het pensioen me er de vrijheid voor gaf. Ik moet proberen het gemeenschappelijke van die elf boeken onder woorden te brengen, zoals Nietzsche in Ecce Homo deed toen hij zijn eerdere boeken samenvatte en met elkaar in verband bracht. Bij hem waren het: Geburt der Tragödie, Die Unzeitgemässen, Menschliches–Allzumenschliches, Morgenröthe, Fröhliche Wissenschaft, Zarathustra, Jenseits von Gut and Böse, Genealogie der Moral, Fall Wagner en Götzendämmerung. Zarathustra is het kantelpunt. Zie Ecce Homo blz 84–120. Lees ook blz 23–26 in zijn commentaar op Zarathustra, waarin uitgelegd wordt dat dit werk op aforismen berust uit een vroegere periode van de schrijver. Ook mijn laatste boek, dat ik eerst maar eens Bekentenissen noem, zou op die manier opgebouwd kunnen worden. Maar:

Tot hier was ik gekomen op 29 december 2014, om er op 18 augustus 2015 (een verjaardag van mijn vader) nog aan toe te voegen dat het boek over Laplace zou kunnen gaan, schrijver van Mécanique Céleste, met name over de verkruimeling van zijn deterministische wereldbeeld na 1815. In zijn leven zou ik op uitingen van zijn sexualiteit en agressie moeten letten (een psychoanalyticus zou daar in elk geval op letten). In het boek van Gillispie is al te lezen dat hij onsympathiek en arrogant overkwam en weinig vrienden had. Zijn wiskundige werk getuigt ook van een zekere dwang en is weinig elegant. In het boek van Hahn staat misschien de sleutel: Zijn dochter Sophie, geboren tijdens de Franse Revolutie, was duidelijk zijn lieveling. Ze schijnt de enige vrouw geweest te zijn aan wie hij openlijk zijn liefde durfde tonen. Haar tragische dood na de bevalling van haar eerstgeborene in 1813 greep hem zo aan dat hij ernstig ziek werd en kort daarop zijn testament maakte. Dit trauma op zijn 64ste herinnerde hem ongetwijfeld aan het verlies dat hij als kind geleden had toen zijn moeder Marie Anne op zijn 8ste van hem werd weggenomen. Als ik dit onderwerp voor mijn twaalfde boek kies, zal het niet Bekentenissen kunnen heten, maar bijvoorbeeld Zo zal het zijn.

[Ter inspiratie noem ik de titels die Nietsche aan de vier hoofdstukken van Ecce Homo gaf: Warum ich so klug bin, Warum ich so weise bin, Warum ich so gute Buchen schreiben kann, en Warum ich ein Schicksal bin. Ecce Homo heeft twee voorwoorden, een eerste dat de hoofdstukken samenvat en een tweede met het karakter van een preambule: So erzähle ich mir mein Leben. Zijn lot, dat aan het slot beschreven wordt, is dat hij tegen de morele leugens van zijn tijd – ja, die Verlogenheit von Jahrtausenden – moest ingaan en, overgevoelig als hij was, elk compromis uitsloot. Leugens zijn erger dan de onverschilligheid waar ik onder geleden heb en die me tot twee keer toe heeft weggejaagd. Is dat mijn thema, of de vraag wat het leven goed maakt? Zie Trudy van Asperen blz 196. Misschien ook de tegenstelling: Gezindheids-ethiek versus verantwoordelijkheids-ethiek? Zie Joachim Radkau blz 788. Van die twee heeft de eerste veel met mijn thema te maken, en de tweede ook wel iets: denk aan De Opstand (Gadso Coopmans), Het Melancholieke Genie (Benauwde Wereld), en Urania (Ernst van Straaten). Als ik jaren neem om een laatste boek te schrijven zullen ook belemmeringen kunnen wegvallen om grote liefde aan de orde te stellen. Laat ik naar een variant op zoek gaan van goed & waar leven; voor een wetenschapper telt waar meer dan goed. Bovendien geldt (Joachim Radkau blz 813): Die Wahrheit zu den man durch geistige Konzentration gelangt ist das Bindeglied zwischen Wissenschaft und Mystik. Wenn Weber Wissenschaft und Mystik scharf aus einander hielt, dann ist das um die Wissenschaft vor der Mystik zu retten, und die Mystik vor der Wissenschaft.]

[Verdere gedachten, nu naar aanleiding van Toulmins ‘Cosmopolis’: helaas is het skepticisme verloren gegaan, het niet-destructief bedoelde nee zeggen tegen empiristen, mensen die beweren dat ze iets weten omdat ze het ervaren hebben; lees Montaignes Apologie van Raymond Sebond met gedachten over de natuur, ook diens essay (in Vol. 3) over verzen van Virgilius waarin hij op zijn erecties (’lang’ + ’dik’) en geneuk ingaat; lees verder in Pyrrho die wijst op de beperking van ervaringen (wat aansluit bij ‘De Wetten’, en Wittgenstein) zodat we niets zeker zouden kunnen weten.] [Humanisme = gedetailleerde beschrijving van praktische ervaringen, die skepsis toelaten, Rationalisme = wiskundige analyse met theoretische concepten, die waar en zeker zouden zijn, quest for certainty.]

Stephen Toulmin (Cosmopolis 105): In facing problems about the use of new knowledge for human good, we may ignore the ideal of intellectual exactitude, with its idolization of geometrical proof and certainty. Instead, we must try to recapture the practical modesty of the humanists, which let them live free of anxiety, despite uncertainty, ambiguity, and pluralism.

Hier zullen (voorlopig ongeordende) stukjes tekst staan die me zomaar invallen. Ze gaan waarschijnlijk allemaal over onderzoeksprogramma’s à la Lakatos. Het zouden er uiteindelijk honderd kunnen worden, elk van een pagina of twee, of vijftig van vijf bladzijden. Ik ben er op 25 februari 2014 mee begonnen, toen ik teksten over de geschiedenis van de natuurkunde nog eens had doorgelezen en ze zo particulier vond dat Atlas-Contact of Meulenhoff er niet aan zou beginnen ze uit te geven. Tijd om een punt te zetten achter teksten over de natuurkunde. *)

Malus (1775–1812), aan wie ik gedacht heb, zou een roman van twintig stukken van twee of drie bladzijden kunnen opleveren, met zijn verdachte achtergrond, zijn nederige dienstplicht, de expeditie naar Egypte waar hij de pest kreeg, het herstel van vestingen in Lille en Straatsburg, het patronaat van Laplace, het onderzoek van de breking van het licht en de tering waardoor hij tenslotte stikte.

[Toen hij begin 1799 in Jaffa de pest kreeg en niet bij het leger kon zijn dat naar Acri (bij Haifa) optrok, schreef hij een traktaat over het licht. En toen hij in 1808 in de Rue d’Enfer woonde en door een dubbelbrekend prisma naar de ramen van het Palais de Luxembourg keek waar de ondergaande zon ín weerspiegeld werd, zag hij dat één van de beelden verdween als hij het prisma draaide. Dit wees op een polarisatie van het licht, dat in de ene breking loodrecht op de andere trilt.] Op 30 juli 2015 heb ik het idee gekregen een psychoanalytische biografie van Pierre Simon Laplace (1749–1827) te schrijven, de man die Malus geprotegeerd heeft – en om te zien of het leven van die man me boeien kan zal ik het boek van Roger Hahn moeten lezen dat in de UB van de Uithof staat! Leen het op 31 juli. Vandaag heb ik al het stuk van Robert Fox over de natuurkunde volgens Laplace doorgenomen dat op blz 278-294 in Olby’s Companion staat. Op 6 augustus heb ik Jelle dat boek van Hahn antiquarisch voor $150 bij Amazon.com laten kopen.

Ook heb ik even aan Anderson (1905–1991) en Meitner (1878–1968) gedacht die in de jaren 1920 van mening verschilden over het continue energiespectrum van elektronen uit de atoomkern [zie Lakatos p. 81– 86], met de tegenstelling jong & man (Carl) en oud & vrouw (Lise), en de opheldering die Pauli later gaf toen hij nog onbekende deeltjes (neutrino’s) veronderstelde om behoudswetten te redden. [Ook hier zijn gemakkelijk twintig van die stukken over te schrijven, maar is het mogelijk om het luchthartig, met anekdotes en met humor te doen?]

Hoe prozaïsch ik het allemaal zeg, toch ligt juist in deze nuchtere weergave van de natuur een stukje poëzie. Ik doe een beroep op de mensen die gezond zijn: lees niet alleen maar gezonde boeken, maar verdiep je in de zogenaamd zieke literatuur. Die kan je verkwikken en opbeuren. Gezonde mensen zouden steeds wat risico moeten nemen. Waarom is men sodeju dan zo gezond? [’Walser’ 83.]

’Verder zou ik er nog dit van kunnen zeggen.’ Zo’n soort stijl. Spits en puntig. Anekdotes die vragen oproepen over het weten [de kern van het weten]. Ik zou een Schopenhauer kunnen worden, de leesbare, die van de kleine geschriften, of een Voltaire, die van het filosofisch woordenboek met de sprekende verhaaltjes. Het plan om Heine’s Geständnisse na te doen is onuitvoerbaar, want wat heb ik eigenlijk te bekennen en hoe geestig ben ik nou helemaal?

*) In april 2014, toen ik Goed Verborgen naar Bertram Mourits had gestuurd en gehoord had dat hij het wilde uitgeven, heb ik mijn ideeën over Bekentenissen aan de kant gezet. Het contract voor de uitgave van dit boek, dat Het Verborgen Veld zou moeten heten, is in november getekend en zal maart 2015 verschijnen. Als het verschijnt ben ik 75 en zal ik nog wel 7 tot 10 jaar kunnen werken – lang genoeg voor iets dat werkelijk substantieel is, een boek van 400–500 bladzijden. Aan de andere kant: de vijfsterren-recensie door Martijn van Calmthout die april 2015 verschenen is suggereert dat ik onmogelijk nog iets beters schrijven kan.


Dennis Dieks

Toespraak tot Dennis Dieks op 25 november 2014 (in het Restaurant ‘Selamat Makan’ aan de Voorstraat op nummer 100, te Utrecht)

Beste Dennis,

Het doet me deugd je bij dit afscheidsetentje te mogen toespreken. Er is namelijk iets ongewoons dat ons bindt. Die binding is drieëntwintig jaar geleden tot stand gekomen, toen we elkaar voor het eerst zagen. Weet je nog dat het in de kantine op de eerste verdieping van het Buys Ballot was? Je had toen reeds bewezen dat de kwantummechanica de werkelijke wereld op een objectieve manier beschrijft, en dat terwijl je tien jaar jonger was dan ik. Je artikel stond in de Annalen der Physik, in band 7. Het had grote indruk op mij gemaakt.

Om er iets tegenover te stellen heb ik je toen verteld Plato te lezen, al was het in de archaïsche vertaling van De Win. Die vertaling gebruik ik ook, zei je meteen. Zelfs voor een theoreticus van jouw klasse moet het originele Grieks aan de lastige kant geweest zijn. Maar laat ik je zeggen dat het voor een eenvoudige experimentator al helemaal een klus geweest is om zich in de grondslagen der kennis in te lezen. Het ligt een beetje voor de hand dat we over Thaetetus gepraat hebben, want ik had juist het commentaar van Bostock op die dialoog gekocht.

Je weet dat Socrates tot de conclusie kwam dat de man die hij had ondervraagd, Theaetetus, niet kon zeggen wat kennis is. Ook als kennis een juiste opvatting zou zijn die met een redelijke verklaring werd aangevuld, bleek die definitie ανεμιαια te zijn. Wind. Sta me toe hier even Grieks te praten:

        ‘η μαιευτικη τεχνη         ‘ημιν φησι          ανεμιαια          γεγενησθαι

        de verloskunde          zegt ons [dat er]       wind          [uit] voortkomt

Ik hoef je natuurlijk niet te zeggen dat Socrates zich een vroedvrouw noemde, een verloskundige die met τεχνη uit studenten tevoorschijn wist te halen wat er al in zat.

Moet ik wél zeggen waarom die definitie van kennis wind losmaakt: ανεμιαια? Dat is zo omdat de redelijke verklaring geen eigen inhoud heeft. In het redelijk zijn van de verklaring keert het juist zijn van de opvatting terug. Het is een cirkel. Om iets zinnigs te beweren moet je aan een object een predikaat toevoegen, iets van een andere categorie. Dat leert iemand die het commentaar van Bostock op Theaetetus leest. Citaat: ’A statement is made by putting together two expressions of different categories.’

Voorbeeld: Als we hier Dendeng blado bestellen, dan is Dendeng het object, rundvlees, en blado het predikaat, sambalsaus. Sambalsaus is van een andere categorie en voegt iets pittigs toe, zodat we er zeker van kunnen zijn dat Dendeng blado geen ανεμιαια maar integendeel een pittig gemaakt stukje rundvlees is.

Dit brengt me op iets anders dat ook pittig is, of pittig genoemd kan worden: ‘η μαιευτικη τεχνη ‘ημιν φησι – de verloskunde zegt ons dat de kwantummechanica de werkelijke wereld mogelijkerwijs niet op een objectieve manier beschrijft. Niet een logisch argument, maar een experiment beslist immers wat werkelijk is. Hier bedoel ik niet een nieuw experiment mee dat verborgen variabelen aan zou tonen. Nee, ik houd het graag gezellig en overzichtelijk. Ik bedoel mijn eigen experiment door na de geschiedenis van een geldkloppende uitgeverij De werkelijke wereld te beschrijven.

Ook hier een citaat: ‘Ze lag zwijgend op de divan en wist niet welk tafereel of welke geschiedenis ze zich voor moest stellen. Had ze meer dan twee liefhebbers gehad? Wat zou ze trouwens kunnen weten van oorzaken en gevolgen?’

Zo is het maar net: wat kunnen we weten? Beste Dennis, omdat ik met jou de belangstelling voor oorzaken en gevolgen deel, is het passend en symbolisch je bij dit etentje zowel het Theaetetus–commentaar als De werkelijke wereld cadeau te doen.

Kees Weda

Toespraak op 1 oktober 2010 bij het afscheid van Kees Weda

Henny, Niels, Stefan, Wendy!

Ook een vriend door dik en dun neemt met ontroering afscheid van Kees Weda, jullie Kees – ontroerd omdat het leven van deze man zo tragisch is verlopen, in een vergeefse strijd met de krachten die het van binnenuit ondermijnden, terwijl het zo vol was van belofte, begaafdheid en gevoeligheid.

We leerden elkaar kennen toe we allebei 19 waren en aan een tweede studiejaar begonnen aan de TH in Delft. En we hadden er allebei de grootste moeite mee, want de wiskunde en elektronica waren niets in vergelijking met de vragen naar de betekenis van ons leven. Hij had altijd muziek, toen al. Samen hebben we elektronische muziek verzonnen bij Genesis 2: En duisternis lag op de vloed.

Natuurlijk, er was ook licht, we vreeën meisjes uit Den Haag, waren op elkaars bruiloft – in de jaren zestig trouwde men nog – en omdat we van voor de oorlog waren bleven die huwelijken for better and for worse in stand. Kees en Henny waren er altijd als Elly en ik weer eens verhuisden en er bij muziek getimmerd en geschilderd werd. Maar mij was het gegeven de studie af te maken, hem niet. Het heeft me pijn gedaan dat ik hem er niet doorheen kon helpen. Hij vond werk onder zijn niveau bij een bedrijf en een gemeente.

Ik ga zijn leven niet vertellen, maar wel wil ik een tweede herinnering ophalen. Toen we 47 waren gingen we met onze vrouwen op vakantie in de Elzas. Jaren hebben we het nog over de goddelijke Gewürztraminer van Fernand Sipp uit Ostheim gehad. Kees was toen na een lange procedure afgekeurd voor verder werk in dienst van de gemeente: Hij zag het daar niet meer zitten. Uiteindelijk, zeg ik, kon hij ook daar niet meer doorheen komen. Ik vroeg hem of hij blij was eindelijk vrij man te zijn. Zoiets kan alleen een domkop vragen die wel eens zucht onder zijn werkbelasting. ‘Blij?,’ zei hij, ‘als niemand je meer wat vraagt?’

Als ik me niet vergis is toen die onpeilbare melancholie gekomen. Hoe vaak heb ik Strawinsky’s Chanson Russe gehoord als we hem en Henny opzochten? Hij keerde zich naar binnen, vluchtte in ontkenningen en tegenspraak. Het gesprek, althans mijn gesprek met hem, werd moeilijk. Toen ik het hobbyblad Elektuur zag liggen zei hij alleen maar: Dat is mijn vak. Niels heeft me de ateliers laten zien die hij op zolder inrichtte om zijn dingen te maken, kunstvoorwerpen, volmaakte kastjes, versterkers, radio’s, in eenzaamheid, met de gordijnen dicht.

Drie weken geleden heeft hij met mij over het onherroepelijke einde van zijn ziekte willen praten. Hij had op dat moment geen pijn, zat in de avondzon en rookte zijn sigaartje. Ik ben dankbaar voor dit laatste beeld. Hij was iemand die je niet kon loslaten.

23 januari 2024

Nico van Kampen

Toespraak op 10 oktober 2013 bij het afscheid van Nico van Kampen (1921–2013)

Familie, collega’s, en u overige aanwezigen!

Ieder van u zal zo zijn of haar eigen herinneringen aan de grote Van Kampen hebben, en toch verbeeld ik me dat iedereen hier aan de tekst terug moet denken die hij had meegegeven aan zijn meesterwerk over de stochastische processen. Mij schoot die tekst, die sterke tekst, meteen te binnen toen ik naar woorden voor dit afscheid zocht:
        Que nous sert-il d’avoir la panse plein
        de viande, si elle ne se digère…?
Dat is: Wat hebben we aan een pens vol vlees als het niet verteert …?, als het (zo gaat die tekst verder) … als het zich niet in ons omzet, als het ons niet laat groeien en sterker maakt? Die vraag was bestemd voor de studenten die het boek tot zich wilden nemen en een macht aan oefeningen te verteren kregen. Er zijn er bij die zwaar op de maag liggen.

Het Frans van de geciteerde woorden was van Montaigne, maar ook Van Kampen zou het geweest kunnen zijn: een erudiete man met sterke opinies, die niet zonder eigendunk steeds op zoek was naar de kern der dingen. En als hij een kern gevonden had, of gevonden dacht te hebben, dan stelde hij haar in het kille licht der logica tentoon.

Voor hem was natuurkunde iets hoogs, een verkenning van de objectieve mathematische structuur der wereld – wat volgens Poincaré de enige manier is waarop we hem kunnen kennen – en daarmee wetenschap tout court. Deze man, geboren in 1921, was nog helemaal een zoon van de Verlichting. Ontzet kon hij reageren op mensen die objectieve kennis onzin vonden. Ook het paradigma van Kuhn vond hij maar niks.

Het past niet om hier lang stil te staan bij de wereld die Van Kampen zélf verkend heeft. Die gaat over fluctuaties in niet-lineaire systemen, uitgerekend de verschijnselen die ik dacht nodig te hebben om het materieverlies van sterren te kunnen begrijpen. Al ben ik geen student geweest van Nico, zijn boek over de stochastische processen en zijn markante persoon heb ik in de jaren ’70 en ’80 leren kennen, vooral dankzij At Compagner, onze gemeenschappelijke vriend. Ik wil daar iets meer over zeggen.

Ook naar mij toe kon hij hard overkomen – en dan denk ik dat het vooral een sociale onhandigheid was – maar met vriendelijke collegialiteit heeft hij me de weg gewezen in de kwestie van omkeerbaarheid dan wel onomkeerbaarheid in moleculaire processen van de fotosynthese. (Grotendeels omkeerbaar, denk ik.) Uiterst behulpzaam was hij ook in het uitzoeken van de geschiedenis van de wetenschappelijke uitgeverij die ik 10 jaar geleden beschreven heb. Hij beleefde de geboorte van zijn boek als het ware nog een keer, en toen ik hem daarover interviewde had hij een net pak aan. Ik heb toen gemerkt dat hij graag over zijn verleden sprak.

Op dat verleden kom ik nog terug, maar in dit verband wil ik eerst zeggen dat zijn enige opmerking over mijn biografie van Huygens-de-natuurkundige een logische fout in een zin betrof en dat dit pijnlijk was. Wie 414 bladzijden bij elkaar weet te schrijven kan zoiets echter wel eens over het hoofd zien. Toen ik later zijn recensie van de Kramersbiografie door Max Dresden onder ogen kreeg begreep ik dat hij ánders uit kon pakken. Hij schreef trouwens levendig, soepel, onberispelijk.

Dames en heren, u heeft hier geen muziek gehoord. Nico was een man van woorden en werd knorrig als hij muziek hoorde. Ik heb eens een keer naast hem gezeten bij het beluisteren van een inaugurele rede. Die was lang en werd om die reden onderbroken door een frivool walsje dat de academie–organist ten gehore bracht. ‘Moet dat nou?’ fluisterde hij. ‘Is het dan niet leuk?’ vroeg ik. ‘Nee’, zei hij, ‘het stoort het denken.’ Voor frivoliteiten leek hij niet in de wieg gelegd. Dit begreep ik opnieuw toen hij een paar weken geleden mijn Boudoir op Terschelling gelezen had en me vroeg me te verantwoorden voor de dingen die hij niet weten wilde.

We hebben het laatste jaar veel over zijn oom Frits Zernike gepraat, de grote broer ‘Up’ van zijn moeder Lies die ‘Sloek’ genoemd werd en die hij – vergeef me het woord – adoreerde. Toen Frits de Nobelprijs kreeg was hij, Nico, 32 en nog in afwachting van een plaats op het Instituut voor Theoretische Fysica in Utrecht, waar Sybren de Groot dat jaar vertrokken was. Ik wilde weten onder welke omstandigheden oom Frits daar in Groningen aan de Munnekeholm en de Verlengde Visserstraat tot zijn fasecontrast-microscoop gekomen was. Zonder dat ik het vroeg kwam hij met foto’s en verhalen aan, steeds meer, en hij keek er gelukkig bij.

Ik neem de vrijheid u iets voor te lezen uit een boek-in-wording: Aan mijn rechterhand (zo lees ik) heeft ooit het lage fietsenhok gestaan waar Frits, volgens zijn oomzegger Nico van Kampen aan wie het voor waar verteld is, buiten werktijd boven op kom om bij het raam van zijn kamer te kunnen komen (dat door een collaborerende amanuensis op een kier gezet was) en van daar af zijn bureau in te klimmen, waarmee hij het probleem oploste dat Coster, de hoogleraar-directeur van het laboratorium, niet wilde dat hij een sleutel had. Een hoogleraar in de theoretische natuurkunde had namelijk geen experimenten te doen, maar zich te beperken tot college geven.

In Friesland, waar ik vandaan kom, zeggen ze De wierheit hat in skel lûd. Ook het geluid van Nico kon schril zijn. Zal ik zijn stempel kunnen uitwissen? Het verdriet me dat hij er niet meer is om zijn stem te verheffen en ons slordige denkers en domkoppen voor te gaan bij het ordenen van onze waarnemingen en er logische samenhang in aan te brengen.


03 januari 2024

Alsnog een portret voor Heinsius

[Feestrede van Wijnand Mijnhardt, gehouden op 21 september 2011, in het stadhuis van Utrecht]

Dames en Heren,

Wanneer de organisatoren van die opmerkelijke en altijd weer verrassende organisatie genaamd de Vrede van Utrecht de moeite hadden genomen me te vragen naar de titel van mijn feestrede voor Cees Andriesse vandaag, dan was het antwoord geweest: Who the Hell is Heinsius, of in rond Nederlands, maar met geleende woorden, waarom Alsnog een portret voor Heinsius? Dat maar weinigen van Antonie Heinsius hebben gehoord is onloochenbaar. Johan de Witt en misschien zelfs Johan van Oldenbarneveldt kennen we doorgaans wel, al was het maar omdat ze zo aantrekkelijk gruwelijk aan hun eind zijn gekomen en dat spectaculaire beeld is bij de meesten van ons wel blijven hangen. Van Heinsius kunnen we in dit opzicht alleen maar zeggen dat hij de respectabele leeftijd van bijna 80 jaar bereikte. Toch is de periode van Heinsius - de periode 1670-1715 - het meest cruciale tijdvak uit de Nederlandse geschiedenis na de Opstand tegen Spanje. En wanneer we een Europees perspectief hanteren, is de periode van Heinsius zelfs de belangrijkste. Het is de enige periode waarin de Nederlandse Republiek twee markante bijdragen leverde aan de voortgang van Europa.

Van 1672-1715 was de Republiek de ziel van het verzet tegen de aspiraties van Lodewijk XIV die naar een “monarchie universelle” streefde, een heerschappij over een wereld waarin de zon nooit meer onder zou gaan, een predicaat waarmee voordien alleen de Habsburgse keizer Karel V zich had weten te tooien. Met een wisselend stel bondgenoten wist de Republiek Europa te behoeden voor een politiek systeem waarin absolutisme, godsdienstdwang en bigotterie het leven van alledag zouden hebben bepaald. Het aantal en de kwaliteit van de bondgenoten mocht dan fluctueren maar in die halve eeuw was er maar één stabiele kern in dat bolwerk tegen Frankrijk en de ziel van dat bolwerk was de raadpensionaris van Holland, Antonie Heinsius, op zijn beurt weer de steunpilaar van de militaire en politieke architect van die alliantie Willem III, de stadhouder-koning van Engeland.

Die decennia aanhoudende zware strijd tegen de dreiging van een Franse wereldheerschappij en de aanwezigheid van een uiterst actieve internationale vooral Franstalige pers op Nederlandse bodem eiste echter een buitengewoon zware tol. Ze forceerde de Nederlandse intellectuele elite in een spagaat: aan de ene kant participeerde die met graagte in de kosmopolitische debatten die in de Franstalige wereld van geleerdheid en letterkunde van toen werden gevoerd, aan de andere zag een groeiende groep de Franse pers als een Trojaans paard dat slechts de culturele voorpost kon betekenen van een uiteindelijk politieke onderwerping. Het resultaat van hun bezorgdheid was een verdediging van Nederlandse taal en cultuur en een eerste systematische verwoording van haar eigenheid. Verfransing en daarmee een sluipende aristocratisering zagen ze als een ernstige bedreiging van de Hollandse republikeinse moraal en als een aantasting van de zo broodnodige gevechtskracht.

Sluitstuk van de ontwikkeling was het ontstaan vanaf de jaren ’30 van de achttiende eeuw van een Nederlandstalige culturele communicatiegemeenschap die als levensvatbaar alternatief voor de kosmopolitische, in casu Franse, République des Lettres moest gaan fungeren. Die nieuwe communicatiegemeenschap in de landstaal was een geweldige stap voorwaarts in het proces van culturele natievorming dat zich overal in Europa in deze periode voltrok. Voor Nederland betekende dit proces echter een dubbele handicap. Ze bleek verantwoordelijk voor een dramatische “closing of the Dutch mind” en een linguïstisch isolement kwam hier nog bovenop. Om hun thuismarkt te plezieren moesten Nederlandse geleerden en intellectuelen immers hun waren op de Europese markt voortaan aanprijzen in een taal die niemand verstond.

Die functie van redder van de Europese vrijheid was niet de enige bijdrage van de Republiek. Ze sloot perfect aan bij een andere, meer intellectuele rol. In de zeventiende eeuw was de Republiek al een centrale speler op de Europese intellectuele markt. Ze vormde het centrum van een wereldomspannend handelsnetwerk dat informatie over de meest uiteenlopende onderwerpen en artefacten overal vandaan wist te leveren. In Amsterdam, Rotterdam of Middelburg konden moeiteloos bestellingen voor exotische naturalia, oude handschriften of botanische specimina worden geplaatst. Expedities en handels- en diplomatieke missies naar verafgelegen nieuwe werelden werden hier uitgerust en de verslagen ervan werden hier gedrukt en besproken. De Nederlandse universiteiten waren de onbetwiste centra van de klassieke en oosterse talen en de vaak strijdige gegevens van Bijbel, klassieke teksten en gegevens uit de reisverslagen waren hier thema van geleerde debatten. Ook waren de universiteiten, in tegenstelling tot elders, brandpunt van de controverses over de nieuwe Cartesiaanse filosofie en natuurkennis.

In de periode 1670-1730 werd de Republiek op al deze gebieden onbetwist wereldleider. Dit tijdvak is de ware Gouden Eeuw van de Hollandse intellectuele geschiedenis. De vrijwel permanente staat van oorlog, de centrale rol van de Republiek in de coalitievorming tegen de Franse Zonnekoning en het Hollandse gedoogbeleid brachten een voortdurende stroom van diplomaten, spionnen en intellectuele ballingen uit heel Europa naar de Randstad. De vervolging van de Hugenoten in Frankrijk stuwde niet alleen zo’n vijftig duizend protestantse vluchtelingen naar de Republiek maar was er ook voor verantwoordelijk dat de creatieve kern van het Franse intellectuele leven zich naar de Hollandse steden verplaatste. De Randstad werd daarmee het onbetwiste centrum van de kosmopolitische Republiek der Letteren en het brandpunt van de Europese kennissamenleving. Intellectuelen uit geheel Europa kwamen hier voor kortere of langere tijd bijeen in informele gezelschappen en onderwierpen alle mogelijke contemporaine kernproblemen op het gebied van politiek, religie en geleerdheid aan een kritisch onderzoek. Het nieuwe verbindende medium tussen deze intellectuelen, hun uitgevers en het publiek was het tijdschrift dat literair nieuws, boekbesprekingen en, niet te vergeten, geleerde achterklap in circulatie bracht. Zo overheersend was de rol van de Republiek dat Georgio Leti in 1700 in een analyse van het Europese kennissysteem moest vaststellen dat: “Holland alleen bestraalt en verrijkt gansch Europa, met het werk der drukkerijen en boekhandel”. Hier, in deze moderne informatie-maatschappij, gevoed door spionnen, diplomaten, en intellectuele ballingen….. hier en niet in het Frankrijk van de Zonnekoning, kwam de Europese Verlichting tot stand.

Waarom kennen wij deze Heinsius en zijn tijdperk dan zo slecht. Waarom ontbreekt er van deze imposante schrijver van meer dan 24 duizend brieven, van deze gigant in het diplomatieke verkeer zonder wie we geen Europese vrijheid en geen Europese Verlichting zouden hebben gekend, waarom ontbreekt er van deze intellectuele reus een biografie en moeten we het doen met een onbeduidend opstelletje in een bundel getiteld “Onbekende raadpensionarissen”. Het antwoord ligt in de dynamiek van de naar binnen gekeerde vaderlandse geschiedschrijving van de voorbije eeuwen. De oorlogen tegen Frankrijk brachten de Republiek aan de rand van de financiële afgrond. De zware rentelasten zouden de manoeuvreerruimte voor de toekomst op het internationale toneel ernstig beperken. Ze bracht, zoals we zojuist schetsten, eveneens een periode van het sluiten van de luiken naar de buitenwereld op gang en toen een halve eeuw later ook nog eens economische problemen de Republiek begonnen te teisteren, nam de obsessieve verheerlijking van het glorieuze vaderlandse verleden een aanvang. De periode van Heinsius werd vervolgens verantwoordelijk gemaakt voor het einde van die Gouden Eeuw. Dat die bloei, ook in de ogen van de tijdgenoot ten enenmale artificieel was geweest, bleek van geen belang. De Gouden Eeuw is de Nederlandse natie tot de dag van vandaag blijven beheksen als een onwrikbare norm.

En hier ligt de grote betekenis van het nieuwe boek van Cees Andriesse. Het is het eerste boeklange portret van deze vaderlandse held in een cruciale fase van de Nederlandse en Europese geschiedenis. Maar dat is lang niet de enige verdienste. Het is ook een fascinerend en meeslepend boek. In “Alsnog een portret voor Heinsius. Geschiedenis van de Vrede van Utrecht” maakt Cees Andriesse ons deelgenoot van zijn drievoudige worsteling met de onbekende Heinsius. Allereerst is daar de worsteling met de stof. Heinsius heeft een gigantisch aantal brieven nagelaten. De bezorger Guus Veenendaal heeft er lange jaren aan moeten werken om die in 19 delen gepubliceerd te krijgen. Hoe geef je zo’n leven vorm als je je niet zoals de biografen van Oldenbarneveldt of Johan de Witt wilt verliezen in duizenden bladzijdes. De vorm die Andriesse kiest is origineel. Het verhaal wordt verteld door de overspannen leraar Ernst van Straaten, die zich zijn leven lang al verraden voelt en gefascineerd raakt door de persoon van Heinsius. Alsnog een portret voor Heinsius is ook geen afgerond verhaal. Het zijn schetsen voor de biografie afgewisseld met episodes uit het deprimerende leven van Van Straaten zelf, een intrigerende mix die de lezer voortjaagt van de eerste tot de laatste bladzijde.

Alsnog een portret voor Heinsius kan ook gelezen worden als een worsteling met het vak van de historicus. Cees Andriesse is geen historicus en wil dit ook niet zijn. Hij is literator maar ook kerngeleerde en brengt al die vaardigheden en kundigheden mee in zijn werkwijze. Ook al is Andriesse zich zeer wel bewust van de veel grotere ruimte die de literator zich bij het beschrijven van het verleden kan veroorloven, hij wil toch ook waarachtig geschiedschrijver zijn en bereidt zich grondig voor. Fysiek contact met de wereld van zijn held Heinsius is voor hem absolute noodzaak. Hij dwaalt door de Haagse kamers en tuinen van Heinsius en bezoekt de kaden van het Hollands Diep waar zijn hoofdpersonen scheep gingen, dat alles om zijn historische verbeelding van voedsel te voorzien. Omdat Andriesse ook nog fysicus is, levert zijn worsteling met het verleden een schitterend inzicht in de spanningen tussen alfa en bèta, tussen wetenschap en mythe en tussen feit en fictie. De vakhistoricus kan nog veel van hem leren.

Alsnog een portret voor Heinsius is tenslotte ook een getuigenis van de worsteling van de auteur met zichzelf en met zijn eigen angsten en onzekerheden. Het is niet bon ton om auteurs te vereenzelvigen met hun werk en al helemaal niet om daar conclusies aan te verbinden maar Andriesse maakt het er zelf naar. Zijn kort verhaal over de tragi-komische voorvallen tussen Van Straaten en zijn uitgever en zijn editors klinkt haast autobiografisch en wanneer uw spreker van dit moment zichzelf even meent te kunnen ontwaren in Alsnog een portret voor Heinsius wanneer hij tekeer gaat tegen Habermas’ Strukturwandel der Öffentlichkeit, wordt de scheidswand tussen feit en fictie, tussen biografie en autobiografie wel heel erg dun.

Als ik het goed zie is die drievoudige worsteling niet beperkt tot het portret van Heinsius maar moeten we die thema’s als de rode draad zien in heel het biografisch oeuvre van Andriesse. Ook Titan kan niet slapen, zijn leven van Christiaan Huygens en De Opstand, zijn beschrijving van de ondergang van de Franeker hoogleraar Gadso Koopmans in de patriotten- en Franse tijd, vertonen deze kenmerken: steeds weer de originele ordening van de stof, het geraffineerd spelen met geschiedenis en literatuur en de doorkijkjes naar de ziel van Andriesse zelf.

Alsnog een portret voor Heinsius, is naar mijn smaak niet geheel toevallig de voorlopige apotheose van Cees Andriesse’s werk. Cees is een volwaardig fysicus met een grote reputatie, hij balanceert onvermoeibaar op het slappe koord tussen literatuur en geschiedenis, maar is met titels als Urania ook meeslepend novellist en tenslotte met Dutch Messengers (over de Nederlandse wetenschappelijke uitgeverij in de 20e eeuw) en met De Republiek der Kerngeleerden (over kernenergie in Nederland) net zozeer volwaardig vakhistoricus. Is Andriesse niet een van de laatste representanten van de Republiek der Letteren die in de tijd van Heinsius op Nederlands grondgebied zijn absolute hoogtepunt beleefde? Is die wereld waarin de moderne disciplines waaraan wij nu zoveel betekenis hechten nog niet bestonden en waarin men nog onbekommerd de rollen van natuurfilosoof, van historicus en van literator in één persoon kon verenigen niet Andriesse’s natuurlijke biotoop? Met Alsnog een portret voor Heinsius is Cees Andriesse eindelijk thuisgekomen.

01 december 2023

Zeventig

(tafelrede voor de lunch op 20 december 2009 in Villa Sonsbeek, Arnhem)

Familie en vrienden! Nog eens: geweldig dat jullie allemaal gekomen zijn, want een verjaardag moet je niet in je eentje vieren, zeker niet als er weer eens een decennium voorbij is: Het zevende decennium. Wie zeventig jaar wordt heeft meer jaren achter zich dan vóór zich. Het kunnen er nog een paar zijn, maar ook wel tien of meer. De oudste hier is vierentachtig, zo zie je maar, en bijna de helft van degenen die hier zitten is ouder dan ik. Wat een wijsheid en ervaring! Ik leg er zo de nadruk op, omdat ik liever stilsta bij wat komen zal dan wat voorbij is.

Hebben jullie dat ook? Bij het wakker worden aan de dingen denken die je nog zou willen doen, en aan de nieuwe dag die je er de kans voor geeft. Mijn vader, de wilskracht zelve die eenenzeventig geworden is, zei dat de wil beperkt wordt door de mogelijkheid. Kan het niet zoals het moet, dan moet het zoals het kan.

Maar de toekomst is ondenkbaar zonder het verleden. Ze zal gekleurd zijn door de dingen die je ondernomen hebt. Talent, niet direct ijver, heeft me in staat gesteld een bonte boel te maken van het leven. Ik was een geluksvogel die de wetenschap in vloog, maar te hoog opsteeg, zodat de fluctuatietheorie, mijn beste werk, ontsnapte aan de aandacht van collega’s. Toen ik dat begrepen had en overging op boeken schrijven, bleek ook dat te hoog gegrepen. In een cultuur van onbenulligheid zal Urania, mijn beste boek, geen aandacht kunnen krijgen.  

Ik heb er vrede mee dat mijn werk niet noemenswaardig vrucht gedragen heeft. Dit is gezegd in de voltooide tijd, want het is een illusie te denken dat alsnog tot stand kan komen waartoe men in de kracht des levens niet in staat was. Maar mijn interesse in wetenschap en kunst is onverflauwd. Natuurlijk zal ik blijven volgen wat de collega’s nog ontdekken en zal ik het werk van de grote schrijvers en van componisten blijven bewonderen. Als ik voor de piano kruip, komt er misschien ook nog een derde strijkkwartet, niet voor anderen, maar voor mezelf.

Misschien, zei ik. Maar het is wel bijna zeker dat dit jaren worden voor essays, voor een persoonlijke zoektocht naar waarheid. Schoonheid in kennis en kunst kan ons hart immers alleen maar raken omdat ze waar is. Na het avondrood van de apollinische kunst komt het morgenrood van de filosofie, dat wist Nietzsche al. En filosofie gaat over wijsheid, de σοφια der ouderdom. Dit zijn jaren voor vrede met jezelf en met de omgeving die je heeft gesteund, je heeft opgevangen als je viel en je weer heeft laten fladderen: je vrouw, je familie en je vrienden.

Op dit bijzondere moment moet ik zeggen dat ik jullie grote dank verschuldigd ben. Op jou, Elly, lieve levensgezellin, breng ik een dronk uit. Blijf alsjeblieft nog lang bij me! Ook drink ik op Lourens, Jelle, Manuela, Noortje, Lotta, Jonas, Siebranda, Tjitske, Harm, Henny, Kees, Onno, Hank, Jan, Sible, Kees en Tine.

03 november 2023

Descartes over emoties

De volgende tekst is mijn boekbespreking die op 4 december 2008 gepubliceerd is in Nieuw Archief voor Wiskunde

Boekbespreking Descartes: De passies van de ziel

Descartes over emoties

Niet alleen Spinoza schreef in logische termen over onderwerpen die het innerlijke leven betreffen. Ook Descartes deed dit in 1647, in zijn boek ‘Les passions de l’âme’. Theo Verbeek heeft het vertaald. Cees Andriesse, emeritus hoogleraar natuurkunde, historicus, en auteur van onder andere de biografie ‘Titan kan niet slapen’ van Christiaan Huygens geeft zijn commentaar. Dit laatste boek van René Descartes verscheen in 1649 zowel in Amsterdam als Parijs en in 1650 nog eens in Amsterdam met de titel ‘Passiones animae’.

Velen zullen weten dat René Descartes (1596–1650) de analytische meetkunde ontdekt heeft — los van Pierre de Fermat, die deze coördinatenmeetkunde met haar symbolische algebra bijna op hetzelfde ogenblik ontdekte — en dat hij, in directe samenhang met deze wiskunde, een methode gepropageerd heeft waarmee de wereld onderzocht zou moeten worden — een ‘logische’ methode die door haar eis van duidelijkheid en distinctie van de begrippen veel heeft bijgedragen aan de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw. Maar het zullen er vast niet veel zijn die weten dat hij op die manier niet alleen de wereld onderzocht heeft, maar ook geesten die er niet in thuis leken te horen, namelijk de emoties. Toch geldt zijn Passions de l’âme, een boek uit 1649, dat tot diep in de achttiende eeuw bestudeerd werd, nog steeds als het begin van de wetenschappelijke emotiepsychologie [1]. Descartes als psycholoog ... Voor een beter inzicht in de soms ook duistere ‘logica’ van deze man met het veelzeggende motto bene vixit, bene qui latuit (goed leeft hij die goed verborgen heeft), is het toe te juichen dat Theo Verbeek dit werk over de emoties met een vertaling en uitgebreid commentaar opnieuw onder onze aandacht heeft gebracht.

Het nieuwe woord emotie
Waarom heb ik het over emoties, en niet over passies, zoals Verbeek passions vertaalt? Ik doe dat omdat de Van Dale aan ‘passie’ vijf betekenissen toekent en aan ‘emotie’ in wezen maar één: (plotselinge) ontroering of gemoedsbeweging. En ik doe het omdat Descartes zelf met dit woord voor de dag gekomen is. Nico Frijda zegt in een recent interview [2]: ‘In 1632 is het woord ‘emotie’ bedacht, als een alternatief voor ‘passie’, als de onderstreping van het feit dat passies zoveel wanorde bij mensen teweegbrengen. Want het woord emotie komt van het oude Franse woord voor oproer, émeute. Het was Descartes die het prachtig vond om dat als beeld te gebruiken voor al die beroering die in het lichaam werd aangericht door de passies.’ Hij was de eerste die geprobeerd heeft de manier waarop zo’n beroering zich uitte — de ene beroering was de andere niet! — in verband te brengen met een specifiek mechanisme ergens binnen in het lichaam.
     Welnu, werd het hart niet van oudsher gezien als de zetel der gevoelens, en wordt een sterke emotie zoals de begeerte niet nog steeds een ‘hartstocht’ genoemd? Dat Descartes in eerste instantie aan mechanismes in het hart dacht hoeft ons dus niet te verbazen. In 1632 had hij De motu cordis gelezen, het boek van William Harvey over de ontdekking van de hartslag en de bloedsomloop, en had hij, zeker mede onder invloed van Isaac Beeckman — de Dordtse rector die ook tot de conclusie was gekomen dat het hart door drukopbouw en voortstuwing (dus mechanisch) op het bloed inwerkte [3] — een mechanistisch wereldbeeld ontwikkeld waar hij vijf jaar later over publiceren zou in zijn bekende Discours de la méthode. In het overigens vrij uitgebreide en erudiete commentaar van Verbeek heb ik een verwijzing naar de rol van Beeckman gemist, terwijl een volgeling, de Utrechtse medicus Henricus Regius, wél genoemd wordt (p 70). Laat ik, voor de goede orde, de inhoud van het boek van Verbeek nu eerst even beschrijven.

Korte beschrijving van het boek
Descartes’ De passies van de ziel telt 232 pagina’s, waarvan 71% (van p 63 t/m p 228) bestemd is voor Verbeeks vertaling van de 212 paragrafen van Passions de l’âme (PA), die op haar beurt echter weer voor circa 30% bestaat uit 111 noten met kruisverwijzingen en historische uitleg die Verbeek heeft toegevoegd, zodat de helft van het boek uit toelichtingen bestaat. Verbeek kennende, durf ik zeggen dat de vertaling voortreffelijk is — ik heb geen behoefte gevoeld haar met het origineel te vergelijken, en iedereen die de vloeiende zinnen leest, ziet het statige zeventiende eeuwse Frans als het ware voor zich. Ook de toelichting is, op nog een paar puntjes van kritiek na (waar ik op terugkom), voortreffelijk. Ze bestaat uit een inleidend stuk over de ontstaansgeschiedenis van het boek (pp 9– 14) en een analyse van de inhoud (pp 15–29), die duidelijk maakt waarom het hier echt om nieuwe inzichten gaat: ‘Passies — zo concludeert Descartes in paragraaf 26 — zijn de gewaarwording van een uitzonderlijke toestand van het lichaam, en hebben als object iets dat door ons gekend of waargenomen wordt’ (p. 18), wat naadloos aansluit bij de moderne visie dat ze ‘cognities tot emotionele (boosmakende, vreeswekkende enz.) cognities maken’. [4] Voordien zag men ze vooral als ziekmakende of zelfs dodelijke animale geesten, die alleen bestreden konden worden als men het hoofd koel hield. Aan het eigenlijke boek gaan nog brieven vooraf (pp 31–62), van en aan een Parijse vriend die gevraagd was de uitgave van het boek te verzorgen en er een voorwoord bij te schrijven over het verband met zijn eerdere boeken.

Het hart onder invloed van emoties
Aan welke mechanismes in het hart dacht Descartes? Niet aan variaties in de druk op het bloed als gevolg van samentrekkingen van het hart — wat Harvey en Beeckman in feite al bewezen hadden — nee, hij dacht aan variaties in een ‘vuur zonder licht’ dat in het hart brandt en ‘het beginsel van alle bewegingen in en van het lichaam is’ (paragraaf 8). Voor hem moesten variaties in druk en in warmte hetzelfde effect hebben, want als het bloed in de hartholten verwarmd wordt ‘zet het zich uit, zodat het niet genoeg ruimte meer heeft en zich met grote kracht [uit de holten vandaan] een weg baant naar [de aders]’ (paragraaf 9). Hij zag het hart dus als een warmtemachientje zoals in het begin van de zeventiende eeuw links en rechts gedemonstreerd werd [5]. Maar los van de vraag wat die warmte veroorzaakte — Descartes zou aan fermentatie van het bloed gedacht hebben (noot 13, p. 73) en een student merkt dan op dat zo’n chemische reactie dus in stootjes van hooguit een seconde aan en uit zou moeten gaan — lag er de vraag hoe ze specifiek kon zijn voor een emotie.
     Wat was eigenlijk anders in de hartbeweging bij zo tegengestelde emoties als vreugde (joie) en droefheid (tristesse)? Een essentiële vraag voor een filosoof die duidelijke en goed onderscheiden (distinct) begrippen wenste te gebruiken. Welnu, bij vreugde zou die beweging gelijkmatig en snel zijn, met daarbij een aangename warmte (paragraaf 99), en bij droefheid zwak en traag, zonder veel warmte — het hart zou dan als ijs aanvoelen (paragraaf 100). Dacht hij niet alleen aan verschillen in frequentie (snel ↔ traag) maar ook aan die in intensiteit (sterk ↔ zwak)? Even lijkt het erop, want bij liefde (amour), een hevige vorm van vreugde, noemt hij de beweging weer snel en tegelijk ook ‘krachtiger’ (paragraaf 97) dan bij vreugde, maar bij haat (haine), die als een hevige vorm van droefenis gezien zou kunnen worden, blijkt de intensiteit toch niet groter te zijn. Hij noemt deze beweging tenminste nog steeds zwak en ‘vaak ook sneller’ (paragraaf 98), waarmee ze nauwelijks te onderscheiden is van die bij vreugde. En nog zoiets: Bij een vijfde primaire emotie, de begeerte (désir), zou de beweging bijzonder heftig zijn, ‘meer dan bij enige andere passie’ (paragraaf 101), maar de combinatie (snel en erg sterk) maakt dat ze nauwelijks te onderscheiden is van de combinatie (snel en sterk) van de liefde. Descartes maakte het zich moeilijk door nog een zesde primaire emotie in te voeren, de verwondering (admiration), die iets intellectueels is en, zoals hijzelf inzag, niets aan de beweging van het hart verandert (paragraaf 71). Overigens noemde hij ook bijna vijftig secundaire (samengestelde) emoties.

Spinoza
Nu weet ik wel dat het niet aangaat de ideeënwereld uit de zeventiende eeuw met die van nu te confronteren, maar hoe is een mechanistische theorie serieus te nemen, die, zoals deze, door geen enkele meting ondersteund wordt? Als we lezen over de frequentie en de intensiteit van de hartslag, dan worden we geacht te vergeten dat de hartslag alleen maar sneller wordt als we ons inspannen, en dat elke slag ongeveer evenveel bloed wegpompt. Verbeek heeft er echter op gewezen dat ook de Cartesiaanse medici in de zeventiende eeuw al inzagen dat metingen nodig waren om de intuïties van Descartes te bewijzen — wat tot debatten tussen iatrochemici en iatrofysici geleid heeft [6]. Verder worden we geacht niet te weten dat van Descartes’ primaire emoties alleen maar de vreugde, droefheid en begeerte op de lijst staan van prototypische (aan actietendenzen gelieerde) emoties die nu onderscheiden worden (waaronder de angst, vrees, schrik, walging, woede) [7]. Maar Verbeek had er ons toch wel op kunnen wijzen dat het drietal vreugde-droefheid-begeerte het enige is dat Baruch de Spinoza in zijn bekende Ethica als primair erkent [8]. Spinoza, deze jongere tijdgenoot die dit in 1665 (?) schreef maar pas in 1677, na zijn dood, liet publiceren, vond dat liefde en haat de vormen zijn die vreugde en droefheid aannemen als ze, zoals hij zegt, vergezeld gaan van het idee van een externe oorzaak. Voor hem was de verwondering ook geen emotie.
     De naam van Spinoza mis ik met name als het paradoxale in Passions de l’âme aan de orde komt. Voor Descartes, die dacht dat mensen dankzij hun geest in vrijheid over hun bewegingen (dus hun gedrag) beslissen, moeten onvrijwillige animale bewegingen die door emoties worden ingegeven een probleem geweest zijn. Het pijn-haat-model dat Verbeek ons voorlegt (pp 20–25) om duidelijk te maken hoe hij denkt dat onvrije bewegingen met vrije kunnen samengaan, maakt echter helemaal niets duidelijk, of het moest zijn ’s mans ‘logica’: Omdat de mens ook een ziel heeft zou hij alleen maar tot op zekere hoogte vrij zijn om te denken (paragraaf 50). Voor Spinoza is dit voldoende om het hele argument af te wijzen: [9] ‘Voorzover ik weet heeft nog niemand vastgesteld wat de aard en de macht van de emoties is, en ook niet wat de geest kan doen om ze in toom te houden. Natuurlijk weet ik dat de beroemde Descartes [net zoals ik] geloofde dat de geest absolute macht over zijn bewegingen heeft, maar ook hij heeft weer geprobeerd de emoties uit hun oorzaken af te leiden, zodat hij er meteen bij moest bewijzen dat de geest ze [toch] in zijn macht heeft. Volgens mij heeft hij er alleen maar zijn slimheid mee bewezen.’

De mechanistische visie op het lichaam
Wat zegt Descartes over de oorzaken van de (deels emotionele) hartbeweging? In zijn mechanistische denkwereld kunnen het natuurlijk geen enzymreacties zijn, maar zijn het stootjes van fijne deeltjes die door de bloedvaten en de zenuwdraden stromen, en tegelijk ook de lever, de maag, de milt, de nieren etc. in werking zetten. De impuls van deze deeltjes dacht hij zich afkomstig uit de ziel (l’âme, anima), die midden in hersenen zou moeten zitten omdat ze alleen daar ‘aandeel heeft aan alle indrukken’ (paragraaf 34). Dus lokaliseerde hij haar in de epifyse, een klier die er precies midden in zit, zodat de ‘gewaarwordingen van dingen buiten onszelf’ (paragraaf 23) precies kon samenvallen met de bron van de stootjes. Descartes’ ontdekking van het visuele systeem van de hersenen en, daarop gebaseerd, zijn notie van een sensus communis (de gemeenschappelijke waarneming, of geïntegreerde gewaarwording), worden tegenwoordig hoger aangeslagen dan zijn ideeën over de motorische reacties [10]. Omdat visuele indrukken voor emoties zo belangrijk zijn, had Verbeek Descartes’ boek over die ontdekking en de menselijke fysiologie in algemene zin (L’homme, geschreven in 1632) eigenlijk even moeten noemen, al is het pas na zijn dood, in 1662, gepubliceerd. Nu is het wat ongelukkig, ofschoon niet onjuist, dat hij alleen maar zegt dat De passies van de ziel voor veel mensen de eerste gelegenheid waren om kennis te maken met een mechanistische theorie van het lichaam (p 17).
     De onmiskenbare historische betekenis van dit laatste boek van Descartes zal daarom gezocht moeten worden in de plastisch beschreven en als ‘logisch’ voorgestelde menselijke fysiologie, waarin de mens geboren wordt als een machine. De ‘logica’ heeft echter haar beperkingen en is ook niet op wiskundige wijze (more geometrico) aangetoond, zoals Spinoza gedaan heeft met de definities, stellingen en bewijzen in zijn Ethica. Dit zal de lezers van dit blad teleurstellen. Ik geef een typisch voorbeeld (uit paragraaf 42):
     “Als de ziel de wil heeft zich iets te herinneren, dan zorgt die wil ervoor dat de klier zich in allerlei verschillende richtingen buigt, waardoor ook de geesten zich naar allerlei plaatsen in de hersenen bewegen, totdat ze op de plek komen waar zich de sporen bevinden die zijn achtergelaten door datgene wat men [zij?] zich wilde herinneren.”

Subtiele schoonheid
Aan duidelijkheid en distinctie van de begrippen laat dit veel te wensen over, maar kennelijk hebben vele generaties er nog hun voordeel mee gedaan — in tegenstelling tot de duidelijkheid en distinctie in Descartes’ Principia philosophiae uit 1644, waarvan al binnen een generatie, ja eigenlijk al meteen, werd vastgesteld dat zijn botsingsregels praktisch allemaal fout waren en dat zijn regel van het impulsbehoud niet eenduidig was [11]. In deze twee laatste werken zien we Descartes’ hopeloze ambitie om ook de meest complexe natuurverschijnselen met een enkel slecht begrepen mechanisme te verklaren. Voor liefhebbers der exactheid valt er in de Passions de l’âme echter nog veel te genieten, want de redeneertrant van de filosoof Descartes is subtiel. Laat ik ook daar een voorbeeld van geven (paragraaf 209), opnieuw in de vertaling van de filosoof Verbeek:
     “Spijt is [eveneens] een soort droefheid en wel één van een bijzondere bitterheid, aangezien ze [namelijk?] altijd verbonden is met wanhoop en met de herinnering aan het genoegen dat ons het genot van iets gegeven heeft. Spijt richt zich immers altijd op een goed dat we ooit genoten, maar dat nu zo definitief voorbij is dat we geen enkele hoop meer kunnen hebben om het te hervinden op het tijdstip en op de manier die we ons in spijt herinneren.”

Theo Verbeek (vertaler en commentator), Descartes: De passies van de ziel (Groningen, Historische Uitgeverij, 2008).

Referenties

  1. Nico Frijda, De Emoties, Amsterdam, Bert Bakker, 1988, p 193.
  2. NRC Handelsblad, katern Wetenschap & Onderwijs 14/15 juli 2007.
  3. Frank Huisman, in: Klaas van Berkel & al., History of Science in the Netherlands, Leiden, Brill, 1999, p 253.
  4. Frijda (zie referentie 1) p 193.
  5. Jacques Payen, in: René Taton & al., Huygens et la France, Vrin, Paris, 1982, pp. 198–199.
  6. Theo Verbeek, in: Allan Charles Kors & al., Encyclopedia of the Enlightenment, Oxford, 2003, p. 203.
  7. Frijda (zie referentie 1) p 101.
  8. Edwin Curley, Collected Works of Spinoza, Princeton, 1985, p 532.
  9. Curley (zie referentie 8), 1 pp 491–492.
  10. Erhard Oeser, Geschichte der Hirnforschung, Wissenschaftliche Buchgesellschaft, Darmstadt, 2002, p 52.
  11. Julian B. Barbour, Absolute or Relative Motion?, Cambridge, 1989, pp. 457–461.


31 oktober 2023

Christiaan Huygens

De volgende tekst is een vertaling van de rede waarmee op 7 juli 1995 een internationaal congres in de Aula van de Leidse Universiteit geopend werd; dit congres, onder auspiciën van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, de Académie des Sciences en het Institut de France, werd georganiseerd ter gelegenheid van de 300ste terugkeer van de sterfdag van Christiaan Huygens. Het Engelse origineel van deze rede, voorzien van 43 noten, is gepubliceerd in het tijdschrift De zeventiende eeuw, jaargang 12 (1996) blz 3-13. De vertaling is met toestemming van de auteur, Prof. dr ir C.D. Andriesse, overgenomen uit de gelijknamige essay-bundel, uitgegeven bij Contact, Amsterdam (2004).

Het melancholieke genie 

Het is nu driehonderd jaar geleden dat de 'Onvergelijkelijke Huygens' stierf. Leibniz – ooit zijn student en met hem in correspondentie gebleven – koos deze woorden toen hij het doodsbericht aan iemand doorgaf. We herhalen ze graag: de Onvergelijkelijke Huygens. Maar wat passend is voor een vriend in rouw, past het nageslacht nog niet. Om deze man, Christiaan Huygens, een blijvende plaats in de geschiedenis te kunnen geven, is het onze plicht hem te vergelijken. 
     Zo moeilijk is dat niet. Kort voor zijn dood heeft hij, in een artikel dat zijn afstand tot het cartesianisme markeren moest, over Galileo geschreven. Toen hij jong was had hij zich diens Discorsi eigen gemaakt en nu maakte hij zich de man eigen. Hij beschreef hem als de man die uit zo'n zelf gepolijste en verzilverde spiegel terugblikte: 'Galileo bezat alle scherpzinnigheid en wiskundige kennis die nodig is om in de natuurkunde vooruit te komen. Niemand kan ontkennen dat hij veel fraais over de aard van de beweging heeft ontdekt, ook al heeft hij nogal wat onderwerpen laten liggen. Hij was niet zo overmoedig of verwaand om alle natuurlijke oorzaken te willen verklaren, en ook niet zo ijdel om het hoofd van een sekte te willen zijn. Hij was bescheiden en waarheidlievend. Niettemin dacht hij met zijn vondsten eeuwige roem te hebben verworven.' 
     Hoe passend deze – zijn eigen – vergelijking met Galileo ook is, ze is niet voldoende voor een oordeel over Huygens' karakter en zijn vondsten. Het nageslacht kan terugzien naar de wetenschapsrevolutie van de zeventiende eeuw en alle spelers daarin beoordelen. Hoe moeten wij hem bijvoorbeeld vergelijken met Newton, met de man die praktisch alle eer gekregen heeft? Deze lastige vraag kan het beste beantwoord worden met het verhaal van Huygens' grootste werk.
     De belangrijkste stap op de weg naar dit werk, Horologium oscillatorium, was het bewijs dat het gewicht van een isochrone slinger een cycloïde volgt en dat dit pad de afwikkeling van een andere cycloïde is. Boven dit bewijs schreef Huygens: 'Magna nec ingenijs investigata priorum' (Iets groots dat door genieën van het verleden nog niet onderzocht is). Met andere woorden, hij wist zelf een genie te zijn – daar is geen twijfel aan. Hij voltooide dit bewijs op 15 december 1659 en ontleende het motto aan de Metamorfosen van Ovidius, die hij gelezen had toen hij twaalf was. Nu, dertig jaar oud, dacht hij zijn grootste ontdekking te hebben gedaan. Het was, zoals hij Van Schooten al een week daarvoor geschreven had, 'zeker het gelukkigste ding waar ik tegenaan gelopen ben'.
     En inderdaad, het was iets groots. Groots was niet zozeer zijn resultaat – een afbeelding [of, om precies te zijn, de meetkundige beschrijving] van de vorm waarlangs de slinger moest worden afgebogen om de slingertijd onafhankelijk van de uitslag te maken – maar wel de manier waarop hij die vorm gevonden had. In feite was het met een infinitesimale berekening. Als Huygens later moeite had Leibniz' formele differentiaalrekening te aanvaarden, kwam dat vanwege de regels, die hij duister vond, maar niet vanwege de oorsprong, die hij goed begreep. Hij was een meester in het optellen van onbepaald kleine lijnstukken en het gebruik van infinitesimale driehoeken.
     Het duurde nogal lang voordat dit resultaat in Horologium oscillatorium gepubliceerd werd. Dit boek over het slingeruurwerk was zijn eerbewijs aan de Koninklijke Academie in Parijs, of liever, aan de Franse koning, Lodewijk XIV. Tegen die tijd, in 1673, was hij het erkende hoofd van de Europese wetenschap. Newton, die een exemplaar van het boek ontvangen had via de secretaris van het Koninklijk Genootschap in Londen, reageerde er meteen op. Hij schreef de secretaris dat het boek de auteur zeer waardig was, maar dat hij een eenvoudiger bewijs van de isochronie van de cycloïde had. ‘Als hij (Huygens) het wil, zal ik het hem toesturen.’
     Het eenvoudiger bewijs maakte gebruik van de fluxierekening die Newton acht jaar eerder had uitgevonden, maar geheim gehouden had. Was hij bereid haar met de auteur van Horologium oscillatorium te delen? Als hij dit werkelijk van plan was, had Huygens dan een grotere eer te beurt kunnen vallen? Maar die vroeg er niet om, waarschijnlijk omdat hij zich nog steeds beledigd voelde. Nog maar drie maanden daarvoor had Newton hun correspondentie over licht en kleur geruïneerd door hem toe te spreken als een schooljongen die niet bij de les is. En Huygens had er met beleefde maar ijzige woorden een eind aan gemaakt: 'Nu ik zie dat N [Newton] met enig vuur bij zijn mening blijft, heb ik geen zin er verder over te praten.’
     Dit is een drama. Wat voor moois had er uit een samenwerking van deze mannen voort kunnen komen? Ze lagen elkaar niet en toch zagen ze duidelijk elkaars kwaliteiten. Ik denk dan vooral aan Newtons vraag over de middelpuntvliedende kracht die Huygens aan het eind van zijn boek ter sprake bracht. Hier stelde hij dat de kracht op een gewicht dat met snelheid v langs een cirkel met straal r beweegt, evenredig is met (v2/r) – een volstrekt nieuw resultaat. De vraag was of hij meer over die kracht wilde publiceren, want ze ‘zal blijken erg nuttig te zijn voor de natuurfilosofie en astronomie, evenals voor de mechanica.’
     Sinds Newton de eigenschappen van die kracht ook zelf gevonden had, wist Newton waar hij het over had. Horologium oscillatorium maakte publiek wat hij dacht alleen te weten. Van nu af aan kon iedere geleerde raden, zoals hij intussen had gedaan, dat de kracht die de planeten in hun baan om de zon hield, moest afnemen met kwadraat van de afstand. Sterker, iedere geleerde kon nu de evenredigheid van kracht en versnelling – (v2/r) is immers een versnelling – veronderstellen en Newtons tweede wet, zoals die vandaag heet, formuleren. Inderdaad, Huygens was gestuit op een erg nuttig gegeven voor de astronomie én de mechanica. 
     Hoewel hij was aangespoord er meer over te publiceren, koos hij ervoor het niet te doen. Toch had hij al eens een complete verhandeling over de kracht geschreven: De vi centrifuga. Deze is op 15 november 1659 gedateerd, wat precies één maand is voor zijn bewijs van de isochronie van de cycloïde – en ruim vijf jaar voordat Newton het resultaat (v2/r) vond. Hij was er niet tevreden over. Toen De Volder en Fullenius de verhandeling na zijn dood publiceerden, meenden ze zijn laatste wil uit te voeren. Maar in het begin van de achttiende eeuw had Newton met zijn Principia mathematica al diepe indruk gemaakt, zodat we kunnen zeggen dat De vi centrifuga twintig jaar te laat gepubliceerd werd. Het bracht niets teweeg. In zekere zin kwam het werk ook tweehonderd jaar te vroeg. Pas toen, in het begin van de twintigste eeuw, begon Einstein alle consequenties te trekken uit de relativiteit van beweging. 
     Waarom heeft Huygens De vi centrifuga bij zich gehouden? Waarschijnlijk omdat het werk niet duidelijk maakte wat relatief was in een cirkelbeweging. Dit was een schaduw op zijn briljante behandeling van bewegende referentiekaders, zelfs als die bewegingen veranderden. Toen de tijd was aangebroken dat Horologium oscillatorium gedrukt moest worden, was hij er niet uit en meende hij dat de cirkelbeweging absoluut zou kunnen zijn. Dus gaf hij daar alleen zijn resultaat, zonder op de afleiding in te gaan. Later, drie of vier jaar voor zijn dood, kwam hij op het vraagstuk terug, verwierp elk absoluut karakter van de beweging, inclusief Newtons idee van een absolute ruimte, en probeerde hij het met een redenering op te lossen: 

Rotatie is een relatieve beweging van delen die in verschillende richtingen gedwongen worden, maar bijeen worden gehouden door een veer of een koord. Maar kun je zeggen dat twee lichamen op een relatieve manier bewegen als hun afstand dezelfde blijft? Ja, dat kan, op de omtrek (van een wiel) is de beweging tegengesteld relatief.

Huygens hield net zo koppig vast aan de relativiteit van beweging als aan de voortgang daarvan, dat wil zeggen, aan haar traagheid. Hij begreep echter niet helemaal dat de concepten van relativiteit en traagheid met elkaar in strijd zijn. 'Hun inconsistentie,' schreef Einstein, 'was door Mach opgehelderd, maar op een ondoorgrondelijke manier al door Huygens en Leibniz aangevoeld.' Deze lof van Einstein mag wat buitensporig zijn, maar maakt duidelijk dat Huygens als de eerste wordt gezien die de relativiteit van beweging werkelijk ernstig nam. Hij wilde alle consequenties van dit concept doorgronden, ook al betekende dit dat hij zijn studie over de middelpuntvliedende kracht achterhield – een studie die zijn grootste bijdrage aan de wetenschap geweest zou zijn. Hoe passend was zijn motto voor De vi centrifuga. Hij ontleende het aan brieven van Horatius, die hij ook op zijn twaalfde onder ogen had gekregen: 'Libera per vacuum posui vestigia princeps.' (Vrij stapte ik de leegte in, als eerste). 
     Door zo lang bij Huygens' topprestaties stil te staan, zijn we geneigd de berg te vergeten die eronder ligt. Over zijn andere werk is ook het nodige te zeggen. We moeten zeker van de mythe af dat dit een berg rotsblokken zou zijn, een verzameling van zomaar wat toevallige vondsten. Tegelijk moeten we van het idee af dat dit werk – zoals van alle genieën – een monoliet behoort te zijn, gestold uit een enkel groots concept. Wordt het geen tijd dat we ophouden de geschiedenis op te vatten als een hegeliaanse dialectiek van grootse ideeën? Grootse ideeën zijn immers altijd slecht gedefinieerde, losse constructies die, als je ze aanraakt, als een zeepbel uit elkaar barsten. 
     Huygens was bijvoorbeeld eerst gecharmeerd van Descartes' idee dat alle natuurverschijnselen verklaard konden worden als de wereld was opgebouwd uit onzichtbaar kleine deeltjes die voortdurend met elkaar in botsing waren, maar hij kon al snel bewijzen dat de botsingsregels die Descartes erbij gegeven had niet deugden. Als hij ideeën van anderen overnam, werkte hij die uit, paste ze naar behoefte aan en combineerde ze niet zelden met andere ideeën. Voor hem waren ze het flexibele gereedschap waarmee hij greep op de wereld probeerde te krijgen. Zijn vondsten waren absoluut niet toevallig. 
     Om dit toe te lichten kijken we naar De motu corporum ex percussione, zijn vroege werk over botsingen uit 1656. Hierin gebruikte hij Galileo's idee over relativiteit, maar ook een idee van Torricelli, namelijk dat het zwaartepunt van een aantal onderling verbonden lichamen zo laag mogelijk ligt. 'Nisi principium ponatur nihil demonstrari potest' schreef Huygens erbij. (Zonder dit principe kan niets bewezen worden). Omdat dit principe zo belangrijk was, kwam hij er verschillende keren op terug. Hij gebruikte het voor het eerst in 1646, toen hij probeerde te bewijzen dat de kettinglijn geen parabool is; in 1650 gebruikte hij het nog eens voor zijn uitvoerige studie van drijvende lichamen, en in 1652 kwam hij tot de briljante generalisatie door algebraïsche vergelijkingen neer te schrijven voor het energiebehoud – de naam die we er tegenwoordig aan geven. De historicus zal het misschien ontgaan dat deze vergelijkingen niets anders zijn dan een vertaling van Torricelli's principe, maar de fysicus is verbijsterd door de stoutmoedigheid.
     Waarom Van Schooten Huygens heeft ontraden zijn verhandeling over de botsingen te publiceren, is een verhaal op zich. Het volstaat hier te zeggen dat die publicatie een slag zou zijn voor het cartesianisme. Maar De motu speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van Huygens' denken. Laten we kijken naar zijn latere werk over het licht, namelijk zijn Traité de la lumière dat, hoewel in 1677 geschreven, pas in 1690 gepubliceerd werd. Omdat hij het licht als een golfeffect in de ether opvatte, moest hij op De motu terugvallen. Kon de ether immers iets anders zijn dan een ruimte die op een willekeurige manier gevuld was met myriaden onzichtbare botsende deeltjes? De rechtlijnige voortplanting van het licht, en ook de weerkaatsing en breking daarvan, was daarom alleen te begrijpen als een ingewikkelde som van alle mogelijke stoten die deze deeltjes aan elkaar uitdeelden.
     Ondanks zijn meesterschap in het oplossen van wiskundige vraagstukken, kon Huygens geen bevredigende oplossingen vinden die uit zijn botsingstheorie volgden. Toen hij ten slotte inzag wat wiskundig vereist was om het gedrag van het licht te kunnen verklaren, liet hij het idee van de botsende deeltjes varen en vond een nieuw principe uit. Dit principe was een nieuwe slag voor het cartesianisme. Het zegt dat elk punt van een golffront het centrum is van een secundaire golf, en dat alle secundaire golven samenspoelen in hun omhullende golf, die het nieuwe golffront weergeeft. Dit 'principe van Huygens' bleek zeer bruikbaar en beschrijft nauwkeurig hoe elek- tromagnetische golven zich voortplanten – golven die nog ontdekt moesten worden. 

Tot zover over het genie. Nu over de man. We hebben zijn nauwgezetheid al gezien, een angst die de sleutel tot zijn geestkracht is en tegelijk een zwakte van zijn ziel verraadt. Kunnen we zijn angst bespreken? 'Tristitia quodcumque agitat mens inficit aegril Nec tibi judiciis proprius tunc fidere fas est.' (De geest besmet alles wat hij aanraakt met een ellendige ziekte/ En dan is het niet goed op je eigen oordeel te vertrouwen.) Zulke verzen schreef hij in zijn ouderdom op Hofwyck neer. Opeens stappen we een andere leegte in, en in zekere zin moeten we de eersten zijn.
     Laten we vaststellen dat de persoon van Christiaan Huygens weinigen tot de verbeelding heeft gesproken. Voor velen heeft hij iets van een standbeeld, dat we overigens verzuimd hebben op te richten. Een eeuw geleden begon Bosscha, een van de redacteuren van de Oeuvres complètes, de toespraak bij Huygens' tweehonderdste sterfdag als volgt: ‘De laatste hulde, een vriend gebracht, is een der groote smarten van het leven. Als een beeld, welks eedlen ernst geen voorbijgaande hartstocht verstoort, zoo komt ons zijn wezen voor oogen met eene klaarheid, die de onrust van het leven niet altijd toeliet’. Als een man zo de hemel in geprezen is, hoe kan hij dan opnieuw tot leven gewekt worden?
     Om Christiaan bij ons terug te brengen leggen we een paar brieven van hem naast teksten van zijn vader Constantijn, de geduchte dichter-diplomaat. Vader en zoon hadden sterk verschillende karakters. Naast de vader verbleekt de zoon. Dit 'kostbaarste' kind is gereserveerd. Bij hem hoort niet de bontheid van het leven. Zijn grootste werk van 1659 is nog niet af – 'zeker het gelukkigste ding waar ik tegenaan gelopen ben' – of hij wordt betrokken bij de bruiloft van zijn zus. De vader beschrijft het feest in geuren en kleuren: de overladen dis voor tweeënveertig gasten, het gezoen bij de wijn, de zeshonderd kaarsen bij het bal met de muzikanten, het gedonderjaag bij het bruidsvertrek. De zoon schrijft spijt te hebben van de tijd die hij aan deze verplichte zotternij is kwijtgeraakt. 
     We kennen maar één 'zotte' brief. Christiaan schreef haar op zijn zesentwintigste, toen hij met nog drie anderen zijn grand tour door Frankrijk maakte – het land waar hij zijn roem beleven zou: 'Ik vind dat je een vliegend paard zou moeten hebben [ ...] om bij ons te kunnen zijn, of het nu op een tocht is zoals we toen op de rivier de Loire dreven, of bij een heldendaad zoals toen we door het lot del fortunato dado beslisten wie alleen en wie met een ander moest slapen, evenzo wie uit vier paarden moest kiezen waarvan het beste blind was...' Die tocht over de Loire ging naar Angers, waar Christiaan in opdracht van zijn vader een doctoraat in de rechten moest kopen. Over die opdracht schreef hij aan zijn vader: 'Als we met de doctorsbul terug zijn zal ik mijn best doen de wereld te zien zoals u die begrijpt, en ik denk dat het mogelijk is dat te doen als u het goed vindt mij daar de tijd voor te geven.' Een byzantijnse zin. Van deze geduchte Constantijn heeft hij zich nooit los kunnen maken. Toen de man op hoge leeftijd was gestorven, liet Christiaan zich portretteren als een wees. Een wees van achtenvijftig.
     In zijn brieven sleep hij de tekst op maat alsof het om een lens ging. Waar de beheersing der wiskunde hem toegang tot de wereld gaf, zo gaf de beheersing der zinnen hem toegang tot zichzelf. Zoiets moet hij gedacht hebben. Het laatste dachten in elk geval de virtuosi der Renaissance, de voorbeelden van zijn vader. Zelfs als hij onmiskenbaar kwaad was uitte hij zich beheerst. We kennen nogal wat boze brieven, zoals over Divini die zijn ring-hypothese van Saturnus aanviel en over Hooke die de prioriteit van zijn vinding van de balansveer voor een horloge bestreed. Maar in zijn brief over Catelan, die dacht dat er een fout in Horologium oscillatorium stond, gaat hij het verst: 

Ik ben verbaasd over zijn aanval op mijn theorie van het slingermiddelpunt, waar niemand in de negen jaar sinds ik haar gepubliceerd heb iets op te zeggen heeft gehad. [...1 Hij vindt dat de som van twee lijnstukken niet gelijk kan zijn aan de som van twee andere lijnstukken, als hun verhouding niet hetzelfde is. Welnu, stel je de eersten 4 en 8 voet lang voor, en de anderen 3 en 9 voet, [zodat hun verhoudingen respectievelijk 1: 2 en 1: 3 zijn], en bekijk dan hoe je de ene som en de andere som anders dan 12 kunt krijgen. Ik zou graag willen dat dit wordt gepubliceerd, zodat degenen die mijn werk niet kennen niet gaan denken dat de kritiek van Catelan iets voorstelt. Mocht de laatste er nog op terugkomen, dan zul je mij verplichten zijn antwoord aan een vakman voor te leggen voordat het wordt gepubliceerd. Dat komt zijn eer zelfs ten goede. En om je de waarheid te zeggen, ik vind het onaangenaam door zo'n domkop te worden aangevallen. 

Dit is nog steeds een nette scheldpartij. Verloor hij nooit zijn zelfbeheersing? Wat bedoelde hij met de ellendige ziekte die zijn geest voortbracht? Er zijn zeker sporen van woede en van duisternis. Hardvochtig was hij voor Thuret, de instrumentmaker die het gewaagd had een octrooi aan te vragen voor een balansveer waarvan niet het idee maar wel de vorm geheel van eigen vinding was. Hij haalde een smerige streek uit met Hartsoecker door diens microscoop als de zijne voor te stellen. Het ging hier om bedienden, of liever, om wat hij als bedienden zag, en zijn gedrag was daarom misschien sociaal bepaald. Maar in zijn debat met Roberval kwam hij evenmin wellevend uit de hoek. 
     Roberval was de enige in de Parijse Academie die, in figuurlijke zin, geen kop kleiner was dan Huygens. Deze man had kritiek op zijn stoottheorie van de zwaarte en had die kritiek helder en hoffelijk verwoord. Met name liet hij zien dat de verklaring van stoten in de richting van een centrum niet noodzakelijk juist was. Op dit argument alleen maar terugzeggen 'dat de reden die ik geef waarom het deeltje naar het centrum wordt geduwd erg duidelijk is en dat men voor het tegendeel niets kan aanvoeren' is gewoonweg bot. Deze oppositie, gevoegd bij Robervals bezwaren bij zijn berekening van slingermiddelpunten, heeft Huygens in een crisis gestort. 
     We komen nu bij Huygens' melancholie, dat ongrijpbare in zijn persoon en tegelijk het eerste dat ons moet opvallen. Deze 'melancholia hypochondrica vera et mera', zoals ze bij zijn leven werd genoemd, kunnen we niet als de spleen van Baudelaire verstaan. De depressies waarin hij kon vervallen passen namelijk in een patroon. Die van 1670, waarschijnlijk zijn diepste, volgde snel op het bovenstaand debat. We hebben er een aangrijpend verslag van: 

Zijn zwakte en bleekheid maakten volstrekt duidelijk hoezeer de ziekte zijn gezondheid had aangetast. En of dat niet erg genoeg was, zag ik iets ergers, iets waartoe het oog niet kon doordringen en dat geen zintuig waar kon nemen. Het was een sterk verval van zijn geestkracht, een ongelooflijke behoefte aan slaap, waar hij evenmin raad mee wist als degenen die hem bijstonden. Omdat hij niet wist wat er gebeuren zou, dacht hij aan het ergste. Hij voorspelde dat zijn tijd gekomen was. 

Dit lezen we in een brief van een secretaris van het Engelse gezantschap in Parijs, die Huygens' erbarmelijke toestand verband bracht met de afgunst en de willekeur die in de Academie heersten. Bijna een jaar viel dit genie stil en voor zijn herstel moest hij terug naar Holland. Ook van de Parijse depressies in 1675, 1679 en 1681 kunnen we de aanleidingen raden. Hij voelde zich dan afgewezen, kwam zijn bed niet uit en liet zich, als dat toch eens moest, door een bediende dragen. De familie vermoedde schuldgevoelens: ‘Hij schijnt bang te zijn voor dominees.' Maar de ziektes traden niet alleen in Frankrijk op. In de familiekring van Den Haag herhaalden ze zich in 1691 en 1693. Soms is het moeilijk ze te onderscheiden van de verkoudheden met zware hoofdpijn, waaraan hij zijn hele leven leed. De eerste komen we al in de zomer van 1652 tegen, als de drieëntwintigjarige de botsingsregels ontdekt en aan Van Schooten schrijft: 'Tot nu toe moet ik echter van studie afzien, tenzij mijn geestkracht het tegen de hoofdpijn opneemt.' 
     Een biograaf, die voor de taak staat deze melancholie te interpreteren, kan moeilijk om Freuds visie heen dat het hier gaat om rouw – de rouw om het verlies van een deel van het Ik. De melancholicus, uitgeput door chronisch slaapgebrek, vindt het deel dat hem nog rest van geen be- tekenis. Wat hij kwijt is, was het enige dat telde. Hier lijkt een citaat van Schopenhauer op zijn plaats: 'Een bevoorrecht mens (zoals een genie) heeft naast zijn persoonlijke leven een tweede leven, namelijk een intellectueel leven, dat geleidelijk aan zijn enige doel wordt en waarvoor het eerste leven slechts als middel wordt gezien (om dit doel te bereiken). Alleen dit intellectuele leven houdt hem bezig, en de steeds doorgaande groei van zijn inzicht en kennis maakt het samenhangender, sterker, completer en alomvattender, alsof een kunstwerk wordt geschapen.' Was het dit leven dat Huygens verloor? Was hij zijn genie kwijt? 
     Dit zijn moeilijke vragen en omdat niemand het juiste antwoord kan weten, kunnen we ons niet voorzichtig genoeg uitdrukken. Als Huygens' melancholie van 1670 te wijten was aan een 'verlies van het genie' door de inwerking van Robervals rake intellectuele kritiek, dan zal hij sterk bezig zijn geweest met de gedachte dat zijn intellect groter moest zijn dan dat van alle andere mensen, als het niet ten onder wilde gaan. In een formule: hij moest de knapste zijn, of niet zijn. Deze gedachte kwam mogelijk voort uit zijn belofte – of moeten we zeggen: de opdracht? – de wereld te zien zoals zijn vader die begreep. Maar Christiaans melancholie kan niet alleen uit een 'verlies van het genie' zijn voortgekomen. Ze was vermengd met echte rouw. 
      Zoals we hebben gezien, liet Christiaan zich in zijn diepste melancholie door een bediende dragen – als een kind. Dit kan wijzen op zijn herinneringen aan de dood van zijn moeder. Hij was nog maar acht jaar toen zijn moeder Suzanna op het sterfbed lag en hij als enige van de vijf kinderen bij haar toegelaten werd. Om haar te kunnen zien, moest hij op het bed worden opgetild. Ze zei: 'Kom hier mijn soete mannetie, laet ick u eens kussen.' 
     Zes maanden later had de jongen, in tegenstelling tot de andere kinderen, nog steeds een rouwjak aan. Suzanna en Christiaan zouden in hun kalmte en ernst op elkaar geleken hebben. Al vroeg viel het op dat de jongen zich in fantasieën kon terugtrekken, dat hij aan de andere kant bijzonder gehoorzaam en hulpvaardig was, ook gemakkelijk te kwetsen. Op jonge leeftijd leerde hij al zijn toevlucht te zoeken in een binnenwereld, de wereld van het intellect. Naarmate hij ouder werd voelde hij zich steeds minder op zijn gemak in de wereld die daarbuiten was. Misschien helpt dit om het drama te begrijpen dat zijn dood omgeeft. 
     Zijn oudste broer heeft die dood beschreven. We lezen over het verduisterde vertrek aan het Haagse Noordeinde, over de pijn, de glasscherven waarmee hij zich ging snijden, de knikker waarmee hij zich verstikken wilde, de weigering van voedsel omdat hij dacht vergiftigd te worden, het ijlen en het schreeuwen: 'Mensen zouden hem verscheuren als ze zijn mening over de religie hoorden.' Dat er een dominee aan zijn sterfbed verscheen, kwam omdat hij ten slotte geen verweer meer had. Die 'heeft hem lang toegesproken, maar hij is niet van zijn mening af te bren- gen. Droefheid bij allen. 's Nachts raakt hij buiten kennis. Half vier in de ochtend wordt de familie gewaarschuwd.' 
     Wanneer Christiaan Huygens op 8 juli 1695 in de leegte verdwijnt, zal zijn bedroefde familie nauwelijks beseft hebben dat hij tot het eind naar helderheid gezocht heeft. 

Giftige straling

‘Zou iemand op het idee gekomen zijn de natuur te bestuderen als het niet bekend zou zijn dat sommige mensen zich daar mee bezig houden? Na...